Aletrino's Vijftien ontmoetingen

Aletrino Vijftien Ontmoetingen

Algemeen Handelsblad, zaterdag 30 april 1955

Als Leopold Aletrino (1890-1970), journalist, schrijver, radiospreker en secretaris van de gemeente Amsterdam, eind december 1955 met pensioen gaat schrijft ‘zijn’ Algemeen Handelsblad (31 december 1955):

— ‘Leopold Aletrino verrijkte de rij onzer redacteuren per 1 Januari 1919. Hij […] heeft “slechts” 36 Handelsblad-jaren op zijn krediet staan. Lange tijd wijdde hij zijn journalistieke scherpzinnigheid aan de afdeling Buitenland, waar de politiek der Westeuropese landen in het bijzonder zijn aandacht had.
Doch het was niet alleen de buitenlandse politiek, welke hem boeide. Zijn erudiete geest veroorloofde en veroorlooft hem telkens reizen naar het rijk der geschiedenis. De initialen L.A. welke onder zijn zo bekende rubriek “Van Overal” sedert jaar en dag in ons blad verschijnen, zijn voor ontelbare lezers een begrip geworden. Deze artikelen behandelen onderwerpen van zeer verscheiden aard en brengen een geestrijke ontspanning in de sombere berichten, welke helaas menige editie van een dagblad tot zorgelijke lectuur maken.
Ook Aletrino moest zijn arbeid aan ons blad gedurende de tweede wereldoorlog staken, maar nam na de bevrijding aanstonds zijn plaats weer in. De laatste jaren verzorgde hij de rubriek Geestelijk Leven en Kerk. Zijn grote belangstelling voor het geestelijk leven en de geestelijke stromingen in onze wereld, zijn uitgebreide kennis op dit terrein, hebben hem door deze taak een nieuwe vreugde in zijn journalistieke arbeid gegeven en ons blad interessante berichtgeving en artikelen.
Ook voor zijn werkzame geest en vaardige schrijverspen was het werk van de krant niet voldoende. Van Aletrino’s hand verschenen verschillende boekwerken, welke alle betrekking hebben op het terrein dat hem zo goed ligt, de geschiedenis der mensen en het rijk van de menselijke geest.’ —

Aletrino’s laatste journalistieke project is een reeks van artikelen over de minder bekende geestelijke stromingen in Nederland. Op zaterdag 26 maart 1955 leidt hij die wekelijkse artikelen als volgt in:

— ‘Buitensporig talrijk zijn in ons vaderland de religieuze gemeenschappen, de sekten en geestelijke stromingen. Zij zit ons wel eens dwars, deze grote verscheidenheid, maar ze is door alle tijden heen een kenmerk van onze samenleving geweest en een element van onze wordingsgeschiedenis. Volgens de een werkt ze storend op de eenheid van ons volksbestaan, volgens de ander activeert zij juist ons geestelijk leven. De Nederlander moge in menig opzicht de onverdraagzaamheid bezitten van de stelling “mijn levensbeschouwing is de juiste”, in hem schuilt tevens de drang tot overtuigen van een ieder, die zich naar zijn mening op een dwaalweg bevindt. Vele duizenden hier te lande zijn aanhangers van “bewegingen”, waar zij zich aan geven en waar zij zich voor inzetten met hun ganse wezen. Als wij de Zondag-agenda in onze kranten doorkijken, zien wij onder de welbekende kerkgenootschappen diensten aangekondigd van gemeenschappen, welker naam wij nauwelijks kennen en welker doel en streven alleen degenen, die er deel van uitmaken, waarlijk iets zeggen. Theosofie, — nu ja, wat zij is weten wij allen, ofschoon het niet gemakkelijk valt de zin er van met enkele woorden aan te duiden. Met Christian Science wordt het al moeilijker. En de Soefi, en Mazdaznan, de Bahá’ís ? …
Wij stellen ons voor in een reeks korte artikelen enkele van deze geestelijke stromingen te bespreken, haar doelstellingen uiteen te zetten en te vertellen waar en hoe zij werken. Wij onthouden ons van een kritisch oordeel, daar dit slechts tot onvruchtbare polemieken aanleiding zou kunnen geven: wij zijn uitsluitend informatief te werk gegaan zonder voorkeur voor een bepaalde stroming. Wij traden daartoe in contact met enkele leiders er van ten einde ons op verantwoorde wijze te oriënteren. Het spreekt vanzelf dat wij alle alom-bekende religieuze kerkgenootschappen en hun afgescheiden gemeenten buiten beschouwing lieten en ons bepaalden tot een beperkt aantal belangwekkende stromingen.’ —

Als zesde in de reeks komt in de editie van zaterdag 30 april het Bahá’í-geloof aan bod.

‘Bahá’í-geloof als nieuw religieus beleven — Toewijding aan God, gehoorzaamheid, dienstbaarheid, innerlijke beschaving, geen godsdienstige, klassen- of rassenvooroordeel.

Het is opmerkelijk dat de tot dusver door ons besproken religieuze en geestelijke gemeenschappen hun organisatorische oorsprong vonden in een betrekkelijk recent verleden. Ouder dan een eeuw zijn ze niet. Christian Science ontstond in 1879, de Theosofie in 1875, de Antroposofie in 1913, het Soefisme in 1906, het Bahá’í-geloof in 1844.
Welke inhoud heeft de Bahá’í leer, welke ook in Nederland haar aanhangers heeft, en wie was haar eerste verkondiger?
Een jonge koopman in Shiraz (Perzië), Mirza Ali Mohammed genaamd, die in 1844 verkondigde dat God hem had uitverkoren tot de waardigheid van Báb. (Dit woord betekent: Poort). Hij noemde zich niet slechts een profeet Gods met een eigen Openbaring, doch tevens de heraut van de in alle Heilige Boeken beloofde Wereldleraar, die de gehele mensheid zou verenigen en een tijdperk van vrede zou inleiden. Hij verwierf met zijn verkondiging, die enkele grondkenmerken der Mohammedaanse leerstellingen bevatte, een grote aanhang, doch hij stuitte bij de orthodoxe Mohammedanen op een felle en meedogenloze tegenstand. Het kwam tot vervolgingen op grote schaal en ten slotte tot de gevangenneming van de Báb. Drie jaren later — zes jaren na zijn Verkondiging — werd hij als ketter te Tabriz terechtgesteld (1850).
Zijn leer echter was hiermede geenszins teniet gedaan. Het Babisme breidde zich snel uit, ondanks de opnieuw ingezette vervolgingen. Een van de discipelen van de Bab, een Perzische edelman zette de verkondiging voort en nam weldra de titel aan van Bahá’u’lláh, de Heerlijkheid Gods. Hij verklaarde de universele Wereldleraar te zijn voor deze tijd, wiens komst door de Báb was voorspeld. Zoals Johannes de Doper in zekere zin als Christus’ voorganger wordt gezien, zo wordt de Báb als de voorloper van Bahá’u’lláh beschouwd. Onder druk van de Mohammedaanse geestelijkheid werd ook hij gevangen genomen en met zijn familie naar Bagdad verbannen. Van heinde en ver evenwel kwamen de gelovigen om door hem in de nieuwe leer te worden onderwezen. Zij zagen in Bahá’u’lláh hun nieuwe leraar. In een hernieuwde poging om het geloof uit te roeien, verbande de Perzische regering, gesteund door de Turkse, hem naar de strafkolonie te Akká in het Heilige Land. Na in totaal veertig jaren van gevangenschap en verbanning overleed hij daar in Mei 1892, vier-en-zeventig jaar oud.
Bahá’u’lláh had zijn oudste zoon, Abbas Effendi, later ‘Abdu’l-Bahá (dienaar van Bahá), die al die jaren met hem tezamen de beproevingen had doorstaan, tot zijn opvolger en enig vertolker van de door hem geschreven of gedicteerde geschriften aangewezen. Toen ‘Abdu’l Bahá in 1908 door de Jong-Turken in vrijheid werd gesteld verspreidde hij de Bahá’í-boodschap door uitvoerige briefwisselingen en lezingen in tal van landen. Hij stierf in 1921 te Haifa in de ouderdom van 77 jaar. Op zijn beurt had hij zijn oudste kleinzoon Shogi Effendi, tot eerste Behoeder van het Geloof benoemd. Deze zetelt te Haifa, waar het centrum van het Bahá’í-geloof zich bevindt.
Het Bahá’í-geloof is niet alleen een innerlijke beleving, maar tevens een maatschappelijke instelling, een maatschappelijke orde. Het kenmerkende van dit geloof is — zoals ons duidelijk werd in een gesprek dat wij met enige aanhangers hier te lande mochten voeren — dat het iedere bedoeling afwijst om de grote voorgangers als Mozes, Jezus, Boeddha of Mohammed te miskennen of te ontkennen. Edoch, de grondvester Bahá’u’lláh wordt door hen gelijkgesteld met Christus, Mozes, Mohammed, e.a. Bahá’u’lláh verwierp het standpunt, dat welke godsdienst ook het einde der Godsopenbaring zou wezen, zodat de exclusiviteit van het Christendom niet wordt aanvaard. Hij ontkende dan ook deze aanspraak ten opzichte van zijn eigen Openbaring, welke hij slechts beschouwde als een schakel in de lange reeks van goddelijke openbaringen, die zijn geweest en nog zullen komen. Immers volgens de Bahá’ís (de naam betekent: volgeling van het Licht) is de religieuze waarheid betrekkelijk en is er een constante progressiviteit van religieus beleven. Steeds als de mensheid is “afgedwaald van de ware betekenis van de Goddelijke Boodschap” komt het tot een nieuwe Openbaring en verkondiging, welke naar een nieuw religieus beleven der eeuwige waarheden leidt, doch met alle voorgaande gemeen heeft het streven naar eenheid van doel. Het Bahá’í-geloof bestrijdt geen enkele andere geopenbaarde religie, het wil de grondslag ervan verbreden. Zijn wezenlijke trekken zijn: toewijding aan God, gehoorzaamheid, dienstbaarheid, innerlijke beschaving, geen godsdienstige, klassen- of rassen-vooroordeel. “Indien godsdienst de oorzaak van vijandschap en haat wordt, indien hij de oorzaak wordt van de vervreemding der mensen, dan ware het niet-bestaan van godsdienst beter”, zo luidt een van de opgetekende woorden van ‘Abdu’l-Bahá.
De doelstellingen van het Bahá’í-geloof bestrijken alle gebieden onzer geestelijke en materiële samenleving: eenheid van godsdienst, gebed, gezondheid en genezing, verzekering van de vrede, godsdienst en wetenschap. Met de eenheid van het mensenras voor ogen is het duidelijk dat de oprichting van een Wereldstatenbond, waarin alle naties, rassen en godsdiensten duurzaam worden verenigd, door Bahá’u’lláh als een oplossing van vele problemen werd gezien. Twee waarnemers uit de kring der Bahá’í zijn thans officieel bij de Verenigde Naties geaccrediteerd als “section of the non-governmental organizations”.
Ofschoon Bahá’u’lláh op het standpunt stond dat geweld nimmer met geweld mag worden vergolden, erkende hij toch in bepaalde gevallen een “gerechtvaardigde oorlogvoering”. Het is tot dusver gebruikelijk, zo zeide hij, dat wanneer een staat wordt aangevallen, de overige staten neutraal blijven, tenzij hun eigen belangen in gevaar komen en zij door bepaalde verdragen met de aangevallen staat zijn verbonden. Zijn leer legt de verantwoordelijkheid voor de verdediging tegen een aanvaller niet uitsluitend op de aangevallen staat, doch op alle andere staten tezamen. Daar de gehele mensheid één gemeenschap is, is een aanval op één staat een aanval op de gemeenschap en hij behoort door de gemeenschap te worden bestreden. Wanneer deze leer algemeen werd erkend, zou iedere staat van tevoren weten, dat hij in geval van agressie op de tegenstand van de gehele wereld zou moeten rekenen en dit vooruitzicht zou stellig de oorlogzuchtige staten afschrikken, aldus Bahá’u’lláh.
De ongeveer twee miljoen aanhangers omvattende Bahá’í-religie werkt met gemeenschappen, aan welker hoofd een uit negen personen bestaande Lokale Geestelijke Raad staat, die ieder jaar uit en door de leden wordt gekozen. Nederland telt twee van zulke gemeenschappen (Amsterdam en Den Haag). Er bestaan 12 Nationale Geestelijke Raden, en ons land ressorteert onder de Raad der Ver. Staten, die te Wilmette bij Chicago is gevestigd. Engeland, Italië — Zwitserland en Duitsland — Oostenrijk hebben een eigen Nationale Geestelijke Raad. Beroepsgeestelijken, “leken” en “ingewijden” kent men niet; ook bestaat er binnen het functioneel verband geen individuele autoriteit, alleen groepsverantwoordelijkheid. De religieuze bijeenkomsten, die bij de leden thuis worden gehouden — althans hier te lande — dragen een besloten karakter. Er zijn evenwel herhaaldelijk openbare lezingen in verschillende lokaliteiten, welke voor alle belangstellenden vrij toegankelijk zijn. Amsterdam bezit een Stichting Bahá’í-literatuur, waarin zich ’n indrukwekkend aantal geschriften van de Báb, van Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l Bahá bevinden, waarvan vele in 126 talen zijn vertaald en over ongeveer 200 gebieden over de gehele aarde zijn verspreid; de basiswerken van Bahá’u’lláh, getiteld Kitáb-i-Aqdas (Heiligste Boek) en Kitáb-i-Iqán (Boek der Zekerheden), voorts vele verordeningen en leringen, gebeden en verhandelingen over de grote problemen des levens.
Het brandpunt van het Bahá’í-geloof is, zoals wij schreven, te Haifa gevestigd, waar zich het Bahá’í-heiligdom bevindt halverwege de berg Karmel: een monumentale tempel, opgebouwd uit Italiaans marmer, dat bij stukken en brokken uit Italië werd aangevoerd. Van belang is dat destijds na lang zoeken een Utrechtse firma werd gevonden, die in staat was de 13.000 tegels met een goudlaag te fabriceren ter dekking van de koepel van dit mausoleum, waar het stoffelijk overschot van de Báb rust. De bouw van de tempel in Wilmette heeft 41 jaren geëist (1912 tot 1953), daar de benodigde gelden door de Bahá’ís zelf moesten worden bijeengebracht. Financiële steun van niet-Bahá’ís wordt niet aanvaard.

Van godsvrucht en van levensmoed getuigend klinkt de bij Bahá’í levende overtuiging “dat de mensheid in wezen gezond is, want zij is naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, en wanneer zij ten laatste de waarheid ziet, zal zij niet op de weg der dwaasheid voortgaan”. —

Mede door Aletrino’s neutrale benadering wordt de serie ‘Geestelijke Stromingen in Nederland’ zo’n succes dat men besluit tot een uitgave in boekvorm. Daarover bericht het Algemeen Handelsblad (7 november 1955):

— ‘Onder de titel “Vijftien ontmoetingen” verscheen dezer dagen bij Scheltema en Holkema, Amsterdam, een bundel artikelen van de hand van L. Aletrino, gewijd aan de religieuze gemeenschappen, kleinere sekten en bijzondere geestelijke stromingen, die in ons land naast de grotere kerken en richtingen bestaan of vertegenwoordigd zijn en die aan ons geestelijk leven de zo specifieke veelkleurigheid verlenen. De auteur, tevens redacteur van het Algemeen Handelsblad, schreef twaalf ervan speciaal voor dit blad, waarin zij in de loop van het jaar 1955 als reeks gepubliceerd werden. De buitengemeen grote belangstelling, welke de artikelen bij de lezers hebben gewekt — aldus het voorbericht —, de herhaalde verzoeken die de leiding van het Algemeen Handelsblad bereikten ze te doen bundelen, hebben tot resultaat gehad dat zij thans in boekvorm verschijnen, aangevuld met drie artikelen welke geen deel uitmaakten van de dagbladserie (Humanisme, Krishnamurti en de Zending van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen). In deze goed verzorgde bundel zijn zij tevens aangevuld met een aantal foto’s en een nuttige lijst van de besproken zowel als van de niet behandelde stromingen, met vermelding van het adres van de Hoofdzetter of het Hoofdkwartier hier te lande. De artikelen, die rijk aan informatieve gegevens zijn, werden geconcipieerd na uitvoerig contact met leidende figuren van der behandelde stromingen in ons land.’ —

 

Ga terug naar: Nederlandse geschiedenis