Baha'i geschiedenis Nederland

Uw pioniersdiensten in Holland zijn in Gods ogen zeer lovenswaardig ...

Shoghi Effendi aan Louise Drake Wright 1932

Bahai Geschiedenis Nederland

Rotterdamse zakenlieden bij bahá’ís in Perzië (1891)

Bahá’í geschiedenis Nederland - Zoals in de meeste andere Europese landen was het een aanslag op het leven van de sjah van Perzië die het Bahá’í-geloof in 1852 voor de eerste maal onder de aandacht bracht van een breed publiek. Veel meer dan dat die aanslag het werk was van ‘dwepers’ die een ‘ergerlijk materialisme’ beleden en ‘de islamitische wet verwierpen’, kwam de geïnteresseerde krantenlezer echter niet te weten. Daarvoor waren de Nederlands-Perzische contacten in die dagen te minimaal. Pas na de opening van het Suezkanaal (1869) werden de politieke en handelsrelaties tussen de beide landen, die ruim honderd jaar eerder waren verbroken, weer hersteld. En het waren daarom Rotterdamse zakenlieden die als eersten in contact kwamen met bahá’ís.

Verdieping: Eerste Nederlandse nieuwsberichten , Johan Collignon in Isfahan en Cornelis Prins verleent hulp

Bahai Geschiedenis Nederland

Ahmad Yazdání & ‘Alí-Muhammad Ibn-i-Asdaq (1920)

De Nederlands-Perzische handel bleef echter gering van omvang en in het begin van de 20ste eeuw kwam die zelfs geheel tot stilstand. Hoewel de meesten van de circa 100 Nederlanders die in die periode voor enige tijd in Perzië verbleven van het Bahá’í-geloof hadden gehoord, sloot niet één van hen zich bij de Bahá’í-gemeenschap aan. De culturele kloof tussen Oost en West was daarvoor klaarblijkelijk te breed. Pas in het kielzog van de Theosofische Vereniging met haar kosmopolitische visie op het verschijnsel godsdienst kreeg het Bahá’í-geloof in 1913 zijn eerste Nederlandse aanhangers. Ook de komst in 1920 van twee Perzische bahá’ís naar Den Haag om daar aan de Centrale Organisatie voor een Duurzame Vrede de Bahá’í-visie op het bereiken en bewaren van wereldvrede over te brengen, zorgde voor een toename in de bekendheid met deze nieuwe godsdienst. Een handjevol Nederlanders noemde zich in die dagen ‘bahá’í’.

Verdieping: Wagenvoort ontmoet bahá’ís in Perzië en ‘Abdu’l-Bahá’s Tafel van de Vrede

Bahai Geschiedenis Nederland

Nederlands - Amerikaanse bahá’í pioniers (1946)

Een nationale Bahá’í-gemeenschap ontstond pas na de Tweede Wereldoorlog toen Noord-Amerikaanse bahá’ís de taak op zich namen om de godsdienst ook in Europa te vestigen. In Nederland werden de activiteiten aanvankelijk geconcentreerd op Amsterdam en in 1948 kon er in die stad een zogenoemde ‘geestelijke raad’ worden geformeerd. Van een autonome Bahá’í-gemeenschap zou echter pas sprake zijn wanneer er ook op nationaal niveau zo’n raad zou kunnen worden gekozen. Daarvoor waren (zo meende men) tenminste nog acht andere lokale raden nodig. Mede doordat een dertigtal Iraanse gelovigen zich in ons land vestigde was het in 1962 zover: een slechts 136 leden tellende geloofsgemeenschap koos dat jaar voor de eerste maal haar nationale bestuur en verankerde zich daarmee in de Nederlandse samenleving.

Verdieping: Organisatie

Hollandse helden

Een daad, hoe oneindig klein ook, die gezien wordt in de spiegel van de kennis van God is machtiger dan een berg.

Bahá’u’lláh

De Hollandse helden (bahá’ís en niet-bahá’ís) zijn chronologisch gerangschikt.

Tinco Lycklama à Nijeholt

1873

Jonkheer Tinco Lycklama à Nijeholt uit Beesterzwaag in Friesland publiceert een uitvoerig verslag (in het Frans) van zijn vierjarige reis door het Midden-Oosten. Hij bespreekt daarin ook het ‘Babisme’.

Johan en Bernard Collignon

1879

De Rotterdamse broers Johan en Bernard Collignon werken als handelsagent in Isfahan. Johan probeert tevergeefs de levens te redden van twee Perzische bahá’í handelsrelaties, de broers Siyyid Muhammad-Hasan en Siyyid Muhammad-Husayn.

Lees: Johan Collignon in Isfahan

1885

Onder het wakend oog van koloniale autoriteiten introduceren Jamál Effendi en Siyyid Mustafa Rumi het Bahá’í-geloof in Nederlands-Indië. Vooral de vorstin en prinsgemaal van het Leenvorstendom Boné op Celebes (nu Sulawesi) tonen grote interesse.

Lees: De koningin en prins van Boné

Frits Knobel

1890

De Amsterdammer Frits Knobel hoort van Collignon over bahá’í-vervolgingen bij Isfahan. Hij komt met succes voor hen op bij de Perzische overheid. Knobel is op dat moment Nederlands Consul-Generaal in Teheran.

Albert Hotz

1891

Tijdens een inspectie-reis langs de vestigingen van zijn Perzische Handelsvereniging maakt de Rotterdammer Albert Hotz in Shiraz een foto van bahá’ís.

Lees: Een bijzondere foto

Cornelis Prins

1891

De Schiedammer Cornelis Prins is er in Yazd getuige van hoe bahá’ís op last van de geestelijkheid worden geëxecuteerd. Hij voorziet de weduwen en wezen van geld en levensmiddelen. Zijn naastenliefde wordt genoemd door Bahá’u’lláh.

Lees: Cornelis Prins verleent hulp

Jan de Goeje

1893

Jan de Goeje, hoogleraar Arabisch en Oosterse talen aan de Leidse universiteit, publiceert een uitvoerig wetenschappelijk artikel over de ‘De Bâbîs’ in De Gids. Hij baseert zich grotendeels op het werk van zijn Britse collega Browne.

Henri Dunlop

1897

De Rotterdammer Henri Dunlop doneert zijn verzameling Bahá’í heilige teksten aan de Leidse Universiteits Bibliotheek. Hij was een paar jaar handelsagent van de firma Hotz in Shiraz en kende enkele familieleden van de Báb persoonlijk. 

Maurits Wagenvoort

1905 

De Amsterdamse journalist en schrijver Maurits Wagenvoort is in het voorjaar meerdere malen te gast bij bahá’ís in Teheran, Káshán en Abádih. Hij schrijft daarover in zijn journaal, kranten-feuilleton en boek Van Madrid naar Teheran (1907). Wagenvoort spreekt van ‘Behaïsme’ en ‘Behaï-godsdienst’.

Lees: Maurits Wagenvoort ontmoet bahá’ís

Henri van Ginkel

1907

Henri van Ginkel is oprichter van de Theosofische Uitgeversmaatschappij te Amsterdam. Tussen 1907 en 1920 geeft hij meerdere artikelen en brochures uit over het ‘Bahaïsme’.

Bahai geschiedenis

1910

Gertrude Buikema, de in Chicago geboren dochter van Groningse immigranten, was in 1899 in haar geboorteplaats bahá’í geworden. Na terugkeer van een pelgrimsreis, richt zij samen met Albert Windust het eerste (maandelijkse) Bahá’í-tijdschrift op: Star of the West.

1911

De bekende arts en feminist Aletta Jacobs maakt een wereldreis om vrouwenrechten te promoten. In Caïro ontmoet zij bahá’ís. Zij doet daarvan verslag in De Telegraaf en in haar boek Reisbrieven uit Afrika en Azië.

Lees: Aletta Jacobs bij bahá’ís in Caïro

Daniel Jenkyn

1913

De Britse bahá’í Daniël Jenkyn bezoekt in een weekend in oktober zijn correspondentie-vrienden in Nederland, waaronder het echtpaar Enzlin in Blaricum, om met hen over het Bahá’í-geloof te spreken. Hij is de eerste bahá’í die naar Nederland komt.

Lees: Daniël Jenkyn bezoekt Nederland

George en Anna Enzlin

1913

Mede n.a.v. het bezoek van Jenkyn laten George en Anna Enzlin, eigenaars van een sportbeschuitfabriek annex lunchroom in Blaricum, op hun identiteitskaart in het bevolkingsregister de aanduiding ‘Theosofische Vereniging’ vervangen door ‘Baha’i Beweging’. Zij zijn de eerste Nederlanders die zich bahá’í noemen. Met hulp van zijn dorpsgenoot en mede-theosoof Henri van Ginkel, geeft George Enzlin de eerste Nederlandstalige brochure over de ‘Bahai Beweging’ uit.

Bekijk: De eerste Nederlandstalige Bahá’í-brochure

Anna Kerdijk

1917

Anna Kerdijk, een theosoof uit Amsterdam, vertaalt voor Van Ginkel het Amerikaanse boekje The Bahai Movement naar het Nederlands.

Ahmad Yazdání en Ibn-i-Asdaq

1920

Ahmad Yazdání en Ibn-i-Asdaq overhandigen in mei in Den Haag ‘Abdu’l-Baha’s Tafel van de Vrede aan het uitvoerend comité van de Centrale Organisatie voor een Duurzame Vrede. Aansluitend geeft Yazdání in het Esperanto diverse lezingen over het geloof. De dagbladen spreken van ‘Bahaïsme’.

Lees: Tafel van de Vrede

Julia Isbrücker

1920

De Haagse esperantist Julia Isbrücker is drie maanden de belangrijkste gids en tolk voor de twee bahá’í gedelegeerden die ‘Abdu’l-Bahá’s Tafel van de Vrede in Den Haag bezorgen.

Jacob Bruijn

1920

Jacob Bruijn oprichter van de Algemene Haagse Arbeiders-Esperantisten Club (man met baard voor de vrouw in de witte jurk) nodigt Ahmad Yazdání uit voor een spreekbeurt en spoort zijn mede-esperantisten elders in het land aan om deze samideano (geestverwant) ook in hun midden te ontvangen.

Truus en Lodewijk van Mierop

1920

Op het terrein van de Haarlemse Watertoren spreekt Ahmad Yazdání voor zo’n honderd leden van de Rein Leven Beweging. De oprichters daarvan, Truus en Lodewijk van Mierop, zijn daarbij ook aanwezig en doen verslag in hun blad Levenskracht.

Jo Goudsmit

1921

De Rotterdamse Jo Goudsmit was als een der eerste Nederlandse zionisten naar Palestina geëmigreerd. Zij werkt als correspondent voor de Nieuwe Rotterdamse Courant en interviewt ‘Abdu’l-Bahá in Haifa en Tiberias.

Lees: Jo Goudsmit ontmoet ‘Abdu’l-Bahá 

Käthe Braun (rechts) en Mimi Renwanz (links)

1923

Vanuit Duitsland vestigen zich enkele bahá’ís in Nederland. Käthe Braun (foto 1930 rechts) en Mimi Renwanz (links) gaan in Haarlem werken als dienstbode. Het echtpaar Epple verhuist naar Brummen (Gld).

Bahai Geschiedenis Suriname

1927

De New Yorker Leonora Holsapple, de eerste bahá’í die zich in Brazilië had gevestigd, maakt een lezingen-tour langs de oostkust van Zuid-Amerika. In de Loge Concordia in Paramaribo spreekt zij over de bahá’í-idealen. De kranten doen verslag.

Lees: Leonora Holsapple in Paramaribo

Louise Drake Wright

1932

Op direct verzoek van de Behoeder komt de Amerikaanse Louise Drake Wright naar Amsterdam om er de Bahá’í zaak te propageren. In 1933 en 1934 zal zij nogmaals enkele maanden in Den Haag verblijven. Zij bezorgt bahá’í boeken bij diverse bibliotheken en spreekt met meer dan 100 mensen over het geloof; maar de taal is een grote barrière.

Max en Inez Greeven

1933

Het in Bremen wonende Duits-Amerikaanse echtpaar Max en Inez Greeven publiceert in Rotterdam Dr. Esslemont's boek Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk, een introductieboek over het geloof. Zij worden daarbij geholpen door hun Nederlandse vriend Jaap Liebau.

Jaap Liebau

1933

De Rotterdammer Kapitein Jaap Liebau van de Holland-Amerika Lijn - hij had het Bahá’í-geloof in New York leren kennen - helpt bij de uitgave van Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk en vertaalt de Verborgen Woorden (1935) en het Boek van Zekerheid (1937). Na de oorlog zal hij officieel lid worden van de Bahá’í-gemeenschap.

Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck

1934

De feminist Welmoet Wijnaendts Francken - Dyserinck is een grote steun voor Louise Drake Wright. Naar aanleiding van een bezoek aan Chicago publiceert zij een artikel over ‘Wat is Baha’i?’ in het tijdschrift Wereldkroniek.

Bahai Geschiedenis Nederland

1937

Arnold van Ogtrop, danser bij het Kurt Jooss Ballet, wordt in Dartington Hall in Engeland (via Mark Tobey) bahá’í. Na de oorlog zal hij een belangrijke rol spelen in de opbouw van de Nederlandse Bahá’í-gemeenschap.

Jos en Magreet Tijssen

1937

Jos en Magreet Tijssen waren in 1921 tijdens de Bahá’í zomerschool in Esslingen bahá’í geworden. Als hun oudste zoon Rainer zich bij de Hitlerjugend moet aansluiten verhuizen zij van Birkazh (bij Stuttgart) naar Soest. 

Bleyswijk Sombeek (links), Edna True (midden) en Jetty Straub (rechts)

1946

De zussen Rita van Bleyswijk Sombeek (links) en Jetty Straub (rechts) zijn in de Verenigde Staten bahá’í geworden. Zij komen in oktober als eerste pioniers aan in Nederland en maken een nieuwe vertaling van Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk. In het midden van de foto staat Edna True.

Charlotte Stirrat

1947

Charlotte Stirrat uit Texas komt als bahá’í-pionier naar Amsterdam. In brieven aan haar zus doet zij uitvoerig verslag.

Amsterdam

1948

In Amsterdam kan de eerste plaatselijke geestelijke raad worden geformeerd. Drie van haar leden hebben de Amerikaanse nationaliteit.

Bahai geschiedenis Nederland

1950

Jeanne Kranen had bahá’ís leren kennen in Teheran waar zij werkzaam was als gouvernante in het gezin van de Nederlandse ambassadeur. Terug in Den Haag verklaart zij zich bahá’í. In 1954 zal Kranen naar Cyprus verhuizen en daar een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de lokale Bahá’í-gemeenschap.

Bahai geschiedenis Nederland

1951

De Amerikaanse bahá’í-pionier Eleanor Hollibaugh bezoekt een door Koningin Juliana georganiseerde Oude Loo conferentie en spreekt daar o.a. met de Amerikaanse (vroegere) first lady Eleanor Roosevelt over het geloof - die blijkt het al te kennen.

Den Haag

1952

In Den Haag wordt de tweede plaatselijke geestelijke raad gekozen. Twee van haar leden komen uit voormalig Nederlands-Indië.

Bahai Geschiedenis Nederland

1952

In een streven om zijn bedrijf na de oorlog weer rendabel te maken durft Jonkheer Robert de Brauw, directeur van de N.V. Faïence- en Tegelfabriek Westraven te Utrecht, het aan om 12.000 daktegels met goudglazuur voor het Mausoleum van de Báb te ontwikkelen en te produceren. Ook de olijfgroene daktegels van het archiefgebouw (1956) zullen onder zijn leiding worden gemaakt.

Karel Bazuine

1952

Karel Bazuine jr., werkzaam bij de Faïence- en Tegelfabriek Westraven te Utrecht, ontwikkelt het procédé om de keramische daktegels voor het Mausoleum van de Báb in Haifa van een laag goudglazuur te voorzien.

Lees: Gouden daktegels uit Nederland

Bahai geschiedenis Nederland

1953

Elly en Lex Meerburg vestigen zich als eerste bahá’ís in Nederlands Nieuw-Guinea (nu Irian Jaya). Hun namen staan vermeld op de ‘Erelijst van Ridders van Bahá’u’lláh’ die in 1992 bij de toegangsdeur tot het graf van Bahá’u’lláh zal worden geplaatst.

Bahai geschiedenis Nederland

1953

Geertrui Ankersmit uit Nijmegen werd in 1951 in Brighton bahá’í. Zij gaat als eerste (thuisfront-pionier) naar Texel en opent daarmee het ‘maagdelijke territorium’ van de Waddeneilanden. Hiervoor wordt zij later tot ‘Ridder van Bahá’u’lláh’ benoemd. Ankersmit kan niet op haar post blijven. In 1955 verruilt zij Texel voor Luxemburg.

Bahai Geschiedenis Suriname

1953

De in Nederlands-Indië geboren psycholoog Robert Wolff (hij had het geloof leren kennen via Jetty Straub) vestigt zich, samen met zijn Amerikaanse echtgenoot Elinor Gregory, als eerste bahá’ís in Suriname. Beiden worden hiervoor benoemd tot ‘Ridder van Bahá’u’lláh’.

Bezoek: bahai.sr

Jakarta

1954

De Brabander Wim Grosfeld maakt als enige Nederlander deel uit van de eerste plaatselijke geestelijke raad van Jakarta (voormalig Batavia). Grosfeld had het Bahá’í-geloof in 1925 in Port Saïd leren kennen en daarna de Behoeder ontmoet in Haifa.

Amelia Collins

1955

Met financiële hulp van de Amerikaanse Amelia Collins wordt in Den Haag het pand voor het toekomstige Nationaal Bahá’í Centrum verkregen. Een jaar later vindt tijdens de vijfde Benelux Conferentie de officiële opening plaats.

Lees: Eerbetoon aan Shoghi Effendi

Bahai geschiedenis Benelux

1957

In het Bahá’í Centrum te Brussel kiezen 19 gedelegeerden uit België, Nederland en Luxemburg uit alle volwassen gelovigen de eerste ‘Regionale Raad van de Bahá’ís van de Benelux’. Deze raad zal in 1962 opgaan in drie nationale raden.

Leiden

1961

Mede met hulp van een dertigtal Iraanse pioniers is het mogelijk om negen plaatselijke geestelijke raden te kiezen, waaronder zeven nieuwe: Arnhem, Delft, Haarlem, Heemstede, Rotterdam, Utrecht en Leiden. Die laatste bestaat geheel uit Perzen (foto).

Bekijk: De eerste plaatselijke raden

Bahai Geschiedenis Nederland

1962

In het Nationaal Bahá’í-centrum te Den Haag kiezen negen gedelegeerden, één van iedere plaatselijke raad, tijdens de eerste Nationale Conventie de negen leden voor de eerste Nationale Geestelijke Raad.

Nederland

1962

De eerste Nationale Geestelijke Raad van de Bahá’ís van Nederland.

Bezoek: bahai.nl

Jelle de Vries: The Babi Question You Mentioned ... ; The Origins of the Bahá’í Community of the Netherlands, 1844-1962. - Leuven 2002

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht