Aletta Jacobs bij Baha'is in Cairo

Aletta Jacobs

Aletta Jacobs

Toen Aletta Jacobs (1854-1929) in juli 1911 aan haar wereldreis begon was zij al een bekende Nederlander. Niet alleen omdat zij in 1871 de eerste vrouwelijke student was geweest, en zeven jaar later de eerste vrouwelijke arts, maar ook vanwege haar inzet voor geboorteregeling en vrouwenkiesrecht. Na vrouwenrechten te hebben gepropageerd in achtereenvolgens Zweden, Lapland, Madeira, Zuid-Afrika, Zanzibar en Palestina, kwamen Jacobs en haar Amerikaanse reisgenoot en medestander Carrie Chapman Catt (1859-1947) in december in Caïro aan. Over haar ontmoeting met bahá’ís schreef zij:

— “Ofschoon niet bepaald met Egypte in verband staande, maar wel passende in het kader van deze brief, wil ik hier het een en ander mededelen van een nieuwe godsdienst, waarvan, voor zover mij bekend, in Holland nog weinig of niets gehoord wordt en die in de toekomst toch zeker een rol in de wereldgeschiedenis zal spelen. In hoeverre deze godsdienst zich zal weten te handhaven en uit te breiden, waag ik niet te profeteren, maar de volgelingen verwachten ervan, dat hij binnen niet al te langen tijd eenheid zal brengen onder de mensen en dat hij in staat zal blijken Jood en Christen, Katholiek, Mohammedaan, Boeddhist, Hindoe en alle andere godsdienstsekten te voldoen.

Ik bedoel het Behaïsme. Reeds in Zuid-Afrika hoorden wij er nu en dan van, doch meestal onder zeer bedekte termen, zodat wij niet recht begrepen wat de betekenis er van was en eerst langzamerhand tot ons doordrong, dat het een godsdienstvorm moest zijn. Zodra toch degeen, die ’t genoemd had, bemerkte, dat wij er niets van wisten, werd het gesprek er over dadelijk afgebroken en op een ander onderwerp overgebracht. In Arabië noemde onze dragoman [gids] het even, toen wij den berg Karmel in het gezicht kregen, als de plaats waar de Behaïs het stoffelijk overschot van hunnen Meester hebben begraven en waar zij zijn graftombe bouwden. [Jacobs reisde van Jeruzalem via Nablus, Nazareth, Tiberias en Damascus naar  Beiroet. In Akka of Haifa kwam zij niet]

Onze dragoman wist of vertelde er echter niets meer van. Dikwijls hebben mrs. Catt en ik elkander afgevraagd, wat toch die Behaïs mogen zijn, en nu hier in Egypte, geheel onverwacht, geheel ongezocht — wij dachten niet meer aan hen — hier kwamen wij precies terecht in een grote groep volgelingen en meenden deze in ons geschikte objecten te vinden, om ons tot hunne geloofsovertuiging over te halen. Evenals in alle grote bewegingen, stellen wij ook in deze beweging, die vele zeer ontwikkelde volgelingen bezit, groot belang; woonden wij een der wekelijkse bijeenkomsten bij en lieten wij ons door de hoofdpersonen in alle onderdelen voorlichten.” […] —

— Aletta Jacobs

En dan volgt een overzicht van de Bahá’í-geschiedenis, waarna Jacobs vervolgt met de vraag:

— “Wat bevatten de leerstellingen van Beha, wat beoogt deze godsdienst? vroeg ik. Uit de antwoorden, die ik kreeg, en uit hetgeen men er mij over te lezen gaf, zou ik concluderen, dat de kern ervan een soort geestelijk socialisme is, een streng doorgevoerd humanisme. Rondom die kern zit voor mij nog te veel mysticisme en wordt er nog te veel waarde gehecht aan het bidden. Overigens kent het Behaïsme geen priesterdom, de wekelijkse bijeenkomsten worden gelid door een of ander uit de aanwezigen, soms daarvoor de week te voren reeds aangewezen. Zelfontwikkeling en daarmede ontwikkeling van anderen en philantropie in den goeden vorm, maken de hoofdzaak uit van de handelingen der Behais, die ik hier ontmoette. Op mijn vraag, of men in Holland reeds volgelingen had, werd mij gezegd, dat er misschien enigen in Leiden voorkomen, maar dat in Holland nog nooit een poging gedaan is om openlijk volgelingen te kweken.

De Behaïs durven nog niet openlijk voor hun geloof uitkomen, ten minste niet in Turkije, waar zij aan zovele vervolgingen hebben blootgestaan en waar zij zich volstrekt nog niet veilig gevoelen. Zij zeggen nog een woord, waaraan zij elkander kunnen kennen, of zij dragen een herkenningsteken in den vorm van een ring, een zeker soort doek- of dasspeld, of een of andere kleinigheid aan de horlogeketting. In Amerika en in de Europese landen zijn zij minder bang voor vervolging, maar menen zij ook daar eerst meer volgelingen te moeten kweken, alvorens zij openlijk getuigen. Dit laatste valt helemaal niet in mijn geest, maar ik durf hen niet veroordelen, nadat ik vernam, hoeveel zij te lijden hebben gehad en dat niet alle volgelingen sterke naturen zijn, en maatschappelijk onafhankelijk genoeg, om de verdrukking te kunnen doorstaan.

Dat het Behaïsme zovele aanhangers vindt onder de Mohammedaanse vrouwen, is te begrijpen. In de voorschriften toch is ook opgenomen: volkomen gelijkstelling der seksen en wordt er aan het onderricht der meisjes, de toekomstige vrouwen en moeders, grote waarde gehecht.

De Mohammedaansche vrouwen hopen door dezen godsdienst grote verbeteringen in haar lot te verkrijgen, van den door haar zoo gehaten sluier verlost te worden en hare harems te mogen verlaten. Een harem betekent hier niet datgene, wat wij gewoon zijn er onder te verstaan. Een man, die streng monogaam leeft, heeft in zijn woning toch een harem. Harem betekent niets anders hier dan dat gedeelte van het huis, waarin alleen de vrouwen van het gezin vertoeven en waarin een vreemde man, een, die niet tot het gezin behoort, nooit zijn voet zet. De vrouwen van het gezin in een monogaam huwelijk zijn de moeder van den man, zijne echtgenote, dochters, indien die er zijn, en vrouwelijke bedienden. Binnen de grenzen van den harem gaan de vrouwen ongesluierd en dragen Europese klederen.” —

— Aletta Jacobs

Jacobs brief over het ‘Behaisme’ werd gepubliceerd in de De Telegraaf en in het Bataviaasch Nieuwsblad van het toenmalig Nederlands-Indië. In 1913 werd de brief ook opgenomen in Jacobs boek: Reisbrieven uit Afrika en Azie.

Aletta Jacobs

Caïro 1911

Aletta Jacobs

Reisbrieven uit Afrika en Azië

Aletta Jacobs

Aletta Jacobs in Durban, Zuid-Afrika 1911

Aletta Jacobs

Aletta Jacobs in Manilla, Filipijnen 1912

Ga terug naar: Nederlandse geschiedenis