Tafel van de Vrede - Den Haag

Tafel van de Vrede Den Haag

'Abdu'l-Bahá

Context — Al sedert de internationale vredesconferenties van 1899 en 1907 stond Den Haag bekend om haar streven naar vrede door recht. Het was dus misschien niet verwonderlijk dat, in reactie op het uitbreken van de Grote Oorlog (augustus 1914) juist in déze stad het initiatief werd genomen tot de oprichting van de Nederlandsche Anti-Oorlog Raad. Daarbij had men de bedoeling om alle verschillende vredesactivisten — socialisten, katholieken, liberalen en protestanten — op persoonlijke titel te verenigen onder één paraplu-organisatie. Het plan werd een succes. In korte tijd telde de Raad enkele duizenden leden.

In april 1915 organiseerde de Raad in (het neutrale) Den Haag een kleine internationale conferentie waarbij de deelnemers uit 12 Europese landen plus de Verenigde Staten besloten tot de oprichting van de Central Organization for a Durable Peace. Men bereikte overeenstemming over een Manifest & Minimum Program, en bracht het internationale secretariaat van de organisatie onder bij dat van de Raad.

Meer nog dan de Raad wilde de Centrale Organisatie zich richten op de preventie van oorlog en zich ‘uitsluitend bezighouden met de grondslagen van de toekomstige vrede’. Belangrijk instrument daarbij was het organiseren van een internationale conferentie van vredesspecialisten die gelijktijdig en op dezelfde plaats als de politieke vredesonderhandelingen, naast de inbreng van beroepsdiplomaten, ook ‘de stemmen der volkeren [zou] doen horen’ — een soort Derde Haagse Vredesconferentie.

De Centrale Organisatie ging daarom wereldwijd op zoek naar prominente medestanders voor haar pacifistisch ideaal; personen die wilden meedenken over de grondslagen voor een toekomstige duurzame vrede, en die hun land of organisatie zouden kunnen vertegenwoordigen bij zo’n conferentie. In Teheran zag Ahmad Yazdani, een jonge baha’i en ambtenaar op het Ministerie van Financiën, daarin een prachtige gelegenheid en ook een plicht om de Bahá’í-visie op vrede onder de aandacht te brengen. Op zijn aanraden vroeg de Centrale Organisatie ‘Abdu’l-Bahá om zijn inbreng, maar door de oorlog ondervond de correspondentie met Palestina enorme vertraging. Pas eind 1919 — de Vrede van Versailles was inmiddels getekend — bereikte dat verzoek Haifa. ‘Abdu’l-Bahá schreef daarop direct een uitvoerige uiteenzetting over de Bahá’í-visie op het bereiken en bewaren van universele vrede: de zogenoemde Tafel van de Vrede en vroeg Yazdani om de brief persoonlijk in Den Haag te gaan bezorgen.

Samen met een oudere geloofsgenoot reisde Yazdani vanuit Haifa, via Port Said naar Rotterdam. En op 27 mei 1920 konden de twee gedelegeerden de brief persoonlijk aan de voorzitter, vice-voorzitter en secretaris van de Centrale Organisatie overhandigen. Daarbij werd helaas ook duidelijk dat de organisatie geen enkele rol had gespeeld bij de vredesonderhandelingen en dat het voornemen om een soort Derde Haagse Vredesconferentie te organiseren was ingehaald door de oprichting van de Volkenbond. In feite bestonden de Raad en de Centrale Organisatie niet meer. Het voor Duitsland zo onrechtvaardige vredesverdrag was slechts door de leiders van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië bekokstoofd. En de deskundigheid van enkele honderden specialisten op het gebied van duurzame vrede was daarbij vrijwel geheel onbenut gebleven. Voor veel vredesactivisten was dat een even teleurstellende als verontrustende vaststelling. In juni 1920 schreef ‘Abdu’l-Bahá aan Yazdani: “In de toekomst zal er zeker een andere oorlog, heftiger nog dan de afgelopen, uitbreken; waarlijk hierover bestaat niet de minste twijfel.” Maar hij sloot zijn brief af met: “U hebt nu het zaad gezaaid. Het zal voorzeker ontkiemen. Zijn groei is van God afhankelijk.”

Tafel van de Vrede - Bestuur van de Nederlandsche Anti-Oorlog Raad (1915)

Bestuur van de Nederlandsche Anti-Oorlog Raad (1915)

Secretariaat van de Centrale Organisatie voor een Duurzame Vrede (1915)

Secretariaat van de Centrale Organisatie voor een Duurzame Vrede (1915)

'Abdu'l-Baha's Tafel van de Vrede

(ongeautoriseerde vertaling)

Aan de Centrale Organisatie voor een Duurzame Vrede, Den Haag

1 — O gij achtenswaardigen, die wegbereiders zijt onder hen die het welzijn der mensheid beogen!

2 — De brieven die u tijdens de oorlog hebt verzonden, werden niet ontvangen. Maar een brief gedateerd 11 februari 1916 heeft ons zojuist bereikt en wordt onmiddellijk beantwoord. Uw streven verdient duizend lofprijzingen omdat u de mensheid dient, en dit is bevorderlijk voor het geluk en welzijn van allen. Deze afgelopen oorlog heeft de wereld en haar volkeren bewezen dat oorlog vernietiging betekent, terwijl universele vrede opbouw is. Oorlog is dood - vrede is leven; oorlog is roofzucht en bloeddorst - vrede is liefdadigheid en menselijkheid; oorlog is een uitvloeisel van de wereld der natuur - terwijl vrede behoort tot het fundament van de religie van God; oorlog is de diepste duisternis - vrede hemels licht; oorlog is de vernietiger van de menselijke beschaving - vrede het eeuwigdurend leven der mensheid; oorlog is als een verslindende wolf - vrede als de hemelse engelen; oorlog is de strijd om het bestaan - vrede is wederzijdse hulp en samenwerking tussen de volkeren der wereld en de oorzaak van het welbehagen van de Ware in het hemelse rijk.

3 — Er is geen mens wiens geweten niet getuigt dat vandaag de dag geen zaak ter wereld belangrijker is dan die van de universele vrede. Iedere rechtvaardige getuigt hiervan en heeft deze achtenswaardige organisatie lief, want haar doel is deze duisternis in licht te veranderen, deze bloeddorst in vriendelijkheid, deze kwelling in gelukzaligheid, deze ontbering in gemak en deze vijandschap en haat in kameraadschap en liefde. Daarom verdient het streven van deze achtenswaardige personen alle lof en eer.

4 — Maar wijze mensen die zich bewust zijn van de wezenlijke verhoudingen die voortvloeien uit de werkelijkheid der dingen, achten het niet mogelijk dat één enkele factor op zichzelf het menselijk bestaan in voldoende mate kan beïnvloeden, want niet voordat de ideeën van de mensen verenigd worden, kan er ook maar één belangrijke zaak tot stand worden gebracht. Op dit moment is universele vrede een zaak van groot belang, maar daarvoor is eenheid van geweten essentieel, opdat het fundament van deze zaak betrouwbaar, haar vestiging stevig en haar opbouw sterk kan worden.

5 — Daarom heeft Bahá’u’lláh vijftig jaar geleden dit vraagstuk van universele vrede uiteengezet op een tijdstip dat Hij in de vesting van ‘Akká gevangen werd gehouden en Hem onrecht werd aangedaan. Hij schreef over deze belangrijke zaak van universele vrede aan alle grote heersers van de wereld, en bracht vrede tot stand onder Zijn vrienden in de Oriënt. De horizon van het Oosten was aardedonker, naties stonden uiterst haatdragend en vijandig tegenover elkaar, godsdiensten konden elkaars bloed wel drinken en er heerste diepe duisternis. In zo’n tijd straalde Bahá’u’lláh als de zon aan de kim van het Oosten en verlichtte Perzië met de stralen van Zijn leringen.

6 — Tot Zijn leringen behoorde de afkondiging van universele vrede. Mensen van verschillende naties, godsdiensten en sekten die Hem volgden, kwamen in zo’n mate tot elkaar, dat er opmerkelijke bijeenkomsten ontstonden waaraan uiteenlopende nationaliteiten en godsdiensten van het Oosten deelnamen. Iedereen die naar deze bijeenkomsten kwam, zag slechts één natie, één leer, één weg, één orde, want de leringen van Bahá’u’lláh beperkten zich niet tot de vestiging van universele vrede — zij vervolmaakten en ondersteunden die ook.

7 — Tot die leringen behoort het onafhankelijk onderzoeken van de werkelijkheid, opdat de mensheid gered kan worden uit de duisternis van imitatie en de waarheid kan bereiken; opdat zij deze duizend jaar oude, versleten en te klein geworden kledij kan afrukken en weggooien, en het gewaad kan aantrekken dat met de uiterste zuiverheid en heiligheid op het weefgetouw der werkelijkheid werd geweven. Aangezien de werkelijkheid één is en geen meervoudigheid toelaat, moeten verschillende meningen uiteindelijk tot één samensmelten.

8 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort de eenheid der mensheid; alle menselijke wezens zijn Gods schapen en Hij is hun liefdevolle Herder. De Herder is vriendelijk voor alle schapen, want Hij schiep hen allen, en onderrichtte, verzorgde en beschermde hen. Er bestaat geen twijfel over dat de Herder vriendelijk is voor de gehele kudde en mochten er daarin onwetenden zijn, dan moeten zij worden onderwezen; indien er kinderen zijn, dan moeten die tot volwassenheid worden opgevoed; en indien er zieken zijn, dan moeten die worden genezen. Er mag geen haat en vijandschap bestaan, want deze onwetenden, kinderen en zieken dienen te worden behandeld zoals een vriendelijk dokter dat zou doen.

9 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort dat godsdienst de oorzaak moet zijn van kameraadschap en liefde. Als hij de oorzaak wordt van vervreemding, dan is hij niet langer nodig, want godsdienst is als een geneesmiddel; als dat de ziekte verergert, wordt het schadelijk.

10 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort dat religie in overeenstemming moet zijn met wetenschap en rede, opdat zij het hart der mensen kan raken. Het fundament moet stevig zijn en niet bestaan uit imitatie.

11 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort dat godsdienstige, raciale, politieke, economische en nationalistische vooroordelen de menselijke beschaving vernietigen. Zolang deze vooroordelen de overhand hebben, zal de mensheid geen rust kennen. De geschiedenis informeert ons over een periode van 6000 jaar mensheid. Gedurende die 6000 jaar is de mens nooit zonder oorlog, strijd, moord en bloeddorst geweest. In ieder tijdperk werd er wel in het een of andere land oorlog gevoerd, en die oorlog was óf te wijten aan religieus vooroordeel, rassenvooroordeel, politiek vooroordeel óf aan nationalistisch vooroordeel. Het staat dus onomstotelijk vast dat alle vooroordelen schadelijk zijn voor de menselijke beschaving. Zolang deze vooroordelen standhouden, moet de strijd om het bestaan wel blijven overheersen, en moeten bloeddorst en roofzucht wel voortduren. Daarom kan, evenmin als dat het geval was in het verleden, de mensheid niet worden gered uit de duisternis der natuur, en geen verlichting bereiken anders dan door het prijsgeven van vooroordelen en het verwerven van de zedelijke waarden van het Koninkrijk.

12 — Als deze vooringenomenheid en vijandschap voortkomen uit godsdienst, bedenk dan dat godsdienst de oorzaak moet zijn van vriendschap, anders is die zinloos. En als deze vooringenomenheid het vooroordeel van nationalisme betreft, bedenk dan dat de gehele mensheid één natie vormt; allen zijn ontsproten aan de boom des levens, en Adam is de wortel van die boom. Deze boom is één en alle naties zijn als takken, terwijl de afzonderlijke leden der mensheid, als de bladeren, bloesem en vruchten zijn. De vestiging van verschillende landen en het daaruit voortkomende bloedvergieten en vernietigen van de menselijke beschaving zijn dus het resultaat van onwetendheid en zelfzuchtige drijfveren.

13 — Wat betreft het vooroordeel van nationalisme: ook dit is te wijten aan volslagen onwetendheid, want het oppervlak van de aarde is slechts één geboorteland. Iedereen kan op elke plaats van de aardbol leven. Daarom is de gehele wereld de geboortegrond van de mens. Deze grenzen en toegangen zijn door de mens bedacht. Bij de schepping werden zulke grenzen en toegangen niet aangegeven. Europa is een werelddeel, Azië is een werelddeel, Afrika is een werelddeel, Australië is een werelddeel, maar vanwege persoonlijke drijfveren en zelfzuchtige belangen hebben sommige mensen elk van deze werelddelen opgesplitst en een bepaald stuk ervan als hun eigen land aangewezen. God heeft geen grens opgetrokken tussen Frankrijk en Duitsland; zij lopen in elkaar over. Ja, in de eerste eeuwen hebben zelfzuchtige lieden ter bevordering van hun eigen belangen grenzen en toegangen vastgesteld, en daar dag aan dag meer belang aan gehecht, totdat dit in latere eeuwen leidde tot felle vijandschap, bloedvergieten en roofzucht. Dit zal zo voor immer voortgaan en indien deze opvatting van patriottisme zich blijft beperken tot één bepaalde kring, zal zij de voornaamste oorzaak worden voor de vernietiging van de wereld. Geen verstandig en rechtvaardig mens zal deze denkbeeldige scheidslijnen erkennen. Ieder stuk dat wij onze geboortegrond noemen, zien wij als ons moederland, terwijl de gehele aarde het moederland van allen is en niet het een of andere afgebakende gebied. Kortom: wij leven een paar dagen op deze aarde en worden er uiteindelijk in begraven; zij is ons eeuwige graf. Is het de moeite waard dat wij bloed vergieten en elkaar aan stukken rijten omwille van dit eeuwige graf? Neen, verre van dat, God schept geen behagen in dergelijk gedrag, en evenmin zou een weldenkend mens dit goedkeuren.

14 — Zie hoe de vreedzame dieren zich niet in patriottische twisten begeven! Zij leven in de grootste vriendschap en harmonie met elkaar samen. Als bijvoorbeeld een duif uit het Oosten en een duif uit het Westen, een duif uit het Noorden en een duif uit het Zuiden bij toeval op dezelfde tijd en plek samenkomen, dan gaan zij meteen in harmonie met elkaar om. Zo gaat het bij alle vreedzame dieren en vogels. Maar zodra wilde beesten elkaar ontmoeten, vallen zij elkaar aan, vechten en verscheuren zij elkaar, en is het voor hen onmogelijk om op één plaats in vrede samen te leven. Zij zijn alle in zichzelf gekeerde, wilde, woeste en strijdlustige vechters.

15 — Betreffende economische vooroordelen is het duidelijk dat, steeds wanneer de banden tussen naties hechter worden, de uitwisseling van handelswaar toeneemt en er een bepaald economisch beginsel in het ene land wordt ingevoerd, dit uiteindelijk de andere landen zal beïnvloeden en dat daaruit wereldomspannende voordelen zullen voortvloeien. Waarom dan dus deze vooringenomenheid?

16 — Voor wat betreft politieke vooroordelen moet het beleid van God worden gevolgd. Het valt niet te betwisten dat het beleid van God belangrijker is dan de menselijke aanpak. We moeten het goddelijk beleid volgen en dat is op ieder individu in gelijke mate van toepassing. Hij behandelt ieder mens op gelijke wijze; er wordt geen onderscheid gemaakt — dat is het fundament van de Goddelijke Religies.

17 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort het ontwikkelen van één taal die over de gehele wereld onder de mensen kan worden verspreid. Deze leerstelling werd door de pen van Bahá’u’lláh geopenbaard met de bedoeling dat deze universele taal misverstanden tussen mensen kan wegnemen.

18 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort ook de gelijkwaardigheid van vrouw en man. De mensheid heeft twee vleugels: de één is de vrouw, de andere de man. Niet voordat beide vleugels in gelijke mate zijn ontwikkeld, kan de vogel vliegen. Zou één vleugel zwak blijven, dan is vliegen onmogelijk. Pas wanneer de wereld van de vrouw gelijk wordt aan die van de man in het verwerven van deugden en volmaaktheden, kunnen succes en voorspoed naar behoren worden bereikt.

19 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort ook het vrijwillig delen van eigendom met de andere leden van de mensheid. Dit vrijwillige delen is beter dan gelijkheid en houdt in dat men zichzelf niet boven anderen moet verkiezen, maar eerder zijn leven en bezit voor anderen dient op te offeren. Maar dit dient niet onder dwang te worden ingevoerd zodat het een wet wordt die men gedwongen is te volgen. Nee eerder, dient men vrijwillig en uit eigen beweging bezit en leven voor anderen op te offeren, en uit vrije wil zijn geld te geven aan de armen, zoals dat in Perzië wordt gedaan onder de bahá’ís.

20 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort ook de vrijheid van de mens: dat hij door de ideële Kracht bevrijd dient te worden uit de gevangenschap van de wereld der natuur. Zolang de mens een gevangene is van de natuur, blijft hij een wild beest, want de strijd om het bestaan is nu eenmaal één van de vereisten van de wereld der natuur. Die strijd om het bestaan is de bron van alle rampspoed en de allergrootste bezoeking.

21 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort ook dat religie een machtig bolwerk is. Als het bouwwerk van religie beeft en wankelt, zullen onrust en chaos het gevolg zijn en zal de orde der dingen geheel omver worden geworpen, want in de wereld der mensheid zijn er twee waarborgen die de mens ervan weerhouden kwaad te doen. De ene is de wet die de misdadiger straft, maar de wet voorkomt alleen de openlijke misdaad en niet de verborgen zonde, terwijl de ideale waarborg, namelijk de religie van God, zowel de openlijke als de verborgen misdaad voorkomt, de mens onderricht, hem moreel besef bijbrengt, hem aanzet tot de ontwikkeling van deugden, en de alomvattende kracht is die het geluk van de mensheid garandeert. Maar met religie wordt datgene bedoeld wat is vastgesteld door onderzoek en niet dat wat is gebaseerd op louter imitatie — de grondslag van Goddelijke Religies en niet menselijke nabootsing.

22 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort ook dat, hoewel materiële beschaving één van de middelen is voor de vooruitgang der mensheid, het gewenste resultaat — het menselijk geluk — niet zal worden bereikt totdat zij wordt gecombineerd met Goddelijke beschaving. Kijk naar deze oorlogsschepen, die een stad binnen het uur tot een ruïne kunnen maken: zij zijn het resultaat van materiële beschaving; zo ook de kanonnen van Krupp, de geweren van Mauser, dynamiet, onderzeeërs, torpedoboten, gevechts-vliegtuigen en bommenwerpers — al dit oorlogstuig is het giftige fruit van materiële beschaving. Zou materiële beschaving zijn samengegaan met Goddelijke beschaving dan zouden deze vuurwapens nooit zijn uitgevonden. Integendeel, de menselijke energie zou ten volle gericht zijn geweest op nuttige uitvindingen en zich hebben geconcentreerd op prijzenswaardige ontdekkingen. Stoffelijke beschaving is gelijk een lampenglas; Goddelijke beschaving is het licht zelf, en het glas zonder het licht is donker. Stoffelijke beschaving is als het lichaam. Hoe oneindig gracieus, elegant en mooi het ook moge zijn, het is dood. Goddelijke beschaving is als de geest en het lichaam krijgt zijn leven van de geest. Zo niet, dan wordt het een lijk. Aldus is duidelijk gemaakt dat de wereld der mensheid de ademtocht van de Heilige Geest nodig heeft. Zonder deze geest is de mensheid levenloos, en zonder dit licht verkeert zij in volslagen duisternis. Want de wereld der natuur is een dierlijke wereld. Totdat de mens wordt herboren uit de wereld der natuur, dat wil zeggen, totdat hij onthecht wordt van de wereld der natuur, is hij in wezen een dier, en het zijn de leringen van God die dit dier veranderen in een menselijke ziel.

23 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoort het bevorderen van onderwijs. Elk kind moet zoveel als nodig in de wetenschappen worden onderricht. Als de ouders in staat zijn om dit onderwijs te bekostigen, dan is dat prima; zo niet dan moet de gemeenschap in de middelen voorzien om dat kind te onderwijzen.

24 — En tot de leringen van Bahá’u’lláh behoren recht en rechtvaardigheid. Totdat deze in de praktijk zijn verwezenlijkt, zal alles wanordelijk zijn en onvolmaakt blijven. De wereld der mensheid is een wereld van onderdrukking en wreedheid en een rijk van agressie en dwaling.

25 — Kortom, er zijn veel van zulke leringen. Deze uiteenlopende grondbeginselen, die de belangrijkste basis vormen voor het geluk der mensheid en de gaven van de Barmhartige zijn, moeten worden toegevoegd aan de zaak van universele vrede en ermee worden gecombineerd, zodat de resultaten kunnen toenemen. Op een andere wijze is universele vrede als zodanig voor de mensheid moeilijk te verwezenlijken. Wanneer de leringen van Bahá’u’lláh worden gecombineerd met universele vrede, dan zijn zij als een tafel vol met vers en overheerlijk voedsel. Ieder mens kan aan die tafel van oneindige milddadigheid datgene vinden wat die wenst. Indien de kwestie beperkt blijft tot universele vrede alléén, dan zullen de opmerkelijke resultaten die men verwacht en begeert, uitblijven. De reikwijdte van universele vrede moet zodanig zijn dat alle gemeenschappen en godsdiensten er hun hoogste ideaal in verwezenlijkt zien. Welnu, de leringen van Bahá’u’lláh zijn zodanig dat alle gemeenschappen van de wereld hetzij religieus, politiek of levensbeschouwelijk, dan wel traditioneel of modern, in hen de uitdrukking vinden van hun hoogste ideaal.

26 — Godsdienstige mensen bijvoorbeeld, vinden in de leringen van Bahá’u’lláh de vestiging van Universele Religie — een godsdienst die volkomen is aangepast aan de huidige omstandigheden, die de ongeneeslijke ziekte werkelijk direct geneest, die elke pijn verlicht, en die een onfeilbaar medicijn biedt voor elk dodelijk vergif. Want als wij de mensheid willen ordenen en organiseren volgens de huidige religieuze tradities en daarmee het geluk der mensheid willen bewerkstelligen, dan is dat onmogelijk en onuitvoerbaar. Neem bijvoorbeeld de handhaving van de wetten uit de Thora, en ook die uit andere hedendaagse religieuze tradities. Maar het wezenlijke fundament van alle Goddelijke Religies dat betrekking heeft op de deugden der mensheid en de grondslag vormt voor het welzijn van de mens, vindt men op de meest volmaakte wijze weergegeven in de leringen van Bahá’u’lláh.

27 — Dat geldt net zo voor de mensen die vrijheid eisen. De gematigde vrijheid die het welzijn van de mensheid garandeert en wereldwijde relaties onderhoudt en beschermt, is in haar volle omvang en kracht te vinden in de leringen van Bahá’u’lláh.

28 — En wat politieke partijen betreft: het belangrijkste beleid dat de mensheid bestuurt, of liever gezegd het Goddelijke beleidsplan, is te vinden in de leringen van Bahá’u’lláh.

29 — Dit geldt ook voor de partij van ‘gelijkheid’ die de oplossing voor economische problemen zoekt. Tot nu toe zijn alle voorgestelde oplossingen onuitvoerbaar gebleken, behalve de economische voorstellen in de leringen van Bahá’u’lláh, die zijn wél uitvoerbaar en vormen geen gevaar voor de samenleving.

30 — Zo is het ook met de andere groeperingen. Als u deze kwestie grondig onderzoekt, zult u ontdekken dat de hoogste doelstellingen van die groeperingen zijn terug te vinden in de leringen van Bahá’u’lláh. Deze leringen vormen de verbindende kracht tussen alle mensen en zijn praktisch uitvoerbaar. Maar er zijn enkele leringen uit het verleden, zoals die van de Thora, die vandaag de dag niet kunnen worden uitgevoerd. Dat is ook het geval bij de andere godsdiensten en bij de beginselen van de uiteenlopende sekten en de verschillende groeperingen.

31 - Neem de kwestie van universele vrede. Daarover zegt Bahá’u’lláh dat er een Hoogste Gerechtshof moet worden ingesteld. Hoewel nu de Volkenbond in het leven is geroepen, is die toch niet bij machte om universele vrede tot stand te brengen. Maar het Hoogste Gerechtshof, zoals Bahá’u’lláh dat heeft beschreven, zal deze heilige taak met de grootste macht en kracht vervullen. En Zijn plan is het volgende: de nationale vergaderingen van elk land en elke natie — dat wil zeggen de parlementen — moeten twee of drie personen uitkiezen die de voortreffelijksten van die natie zijn, die goed op de hoogte zijn van het internationale recht en de betrekkingen tussen regeringen, en die zich bewust zijn van de wezenlijke behoeften van de hedendaagse mensheid. Het aantal van deze vertegen-woordigers moet evenredig zijn aan het inwonertal van dat land. De verkiezing van deze personen die door de nationale vergadering zijn gekozen, dat wil zeggen door het parlement, moet door de Eerste Kamer, de Tweede Kamer, en het Kabinet worden bekrachtigd alsmede door de president of vorst, zodat deze personen de gekozenen zijn van het gehele volk en de regering. Het Hoogste Gerechtshof zal uit deze mensen bestaan en de gehele mensheid zal daaraan dus deelhebben, want elk van deze gedelegeerden vertegenwoordigt ten volle diens land. Wanneer het Hoogste Gerechtshof een uitspraak doet in een internationaal geschil — hetzij unaniem dan wel bij meerderheid van stemmen — zal er geen excuus meer zijn voor de eiser, of bezwaargrond voor de gedaagde. In geval één der regeringen of volkeren nalatig of traag is in het uitvoeren van het eindoordeel van dit Hoogste Gerechtshof, dan zullen de andere volkeren tegen deze opstaan, omdat alle regeringen en volkeren van de wereld dit Hoogste Gerechtshof steunen. Bedenk eens wat een stevig fundament dit is! Maar door een beperkte en aan banden gelegde Bond zal dit doel niet worden gerealiseerd zoals dat zou moeten en behoren. Hierbij is de waarheid met betrekking tot de situatie uiteengezet.

32 — Bedenk hoe krachtig de leringen van Bahá’u’lláh zijn. In de tijd dat Hij in de gevangenis van ‘Akká zat en was onderworpen aan de beperkingen en bedreigingen van twee bloeddorstige koningen, verspreidden Zijn leringen zich desondanks met alle kracht over Perzië en andere landen. Zou enige leer, of enige grondregel, of enige gemeenschap worden bedreigd door een machtige en bloeddorstige vorst dan zou die binnen de kortste keren worden vernietigd. Op het ogenblik leven de Bahá’ís van Perzië en de meeste andere gebieden al vijftig jaar onder strenge beperkingen en de dreiging van zwaard en speer. Ontelbaren hebben hun leven gegeven in de arena van opoffering en vielen ten slachtoffer aan de zwaarden van onderdrukking en wreedheid. Ontelbare achtenswaardige families werden ontworteld en vernietigd; ontelbare kinderen vaderloos gemaakt; ontelbare vaders van hun zonen beroofd. En ontelbare moeders hebben gehuild en geweeklaagd om hun jongens die werden onthoofd. Maar al deze onderdrukking, wreedheid, roofzucht en bloeddorst belemmerden of voorkwamen de verspreiding van de leringen van Bahá’u’lláh niet. Zij waaierden iedere dag meer uit en hun kracht en macht bleken steeds duidelijker.

33 — Het kan zijn dat de een of andere dwaas onder de Perzen zijn naam wil verbinden aan de inhoud van de Tafelen van Bahá’u’lláh of aan de uitleg gegeven in de brieven van ‘Abdu’l-Bahá, en die naar deze geachte organisatie zendt. U dient zich van dit feit bewust te zijn, want iedere Pers die roem zoekt of een soortgelijke intentie heeft, zal zich de gehele inhoud van de Tafelen van Bahá’u’lláh toe-eigenen en die onder zijn eigen naam of die van zijn medestanders publiceren, zoals dat ook gebeurde tijdens het Universele Rassen Congres te Londen van voor de oorlog. Een Pers pakte de inhoud van de Epistels van Bahá’u’lláh, nam daarmee deel aan het congres, verkondigde die onder zijn eigen naam, en publiceerde die — terwijl de bewoording exact die van Bahá’u’lláh was. Enkele van deze lieden zijn naar Europa gegaan, hebben de publieke opinie in verwarring gebracht en enkele oriëntalisten misleid. U moet dit gegeven in gedachten houden, want niet één woord van deze leringen werd in Perzië gehoord vóórdat Bahá’u’lláh verscheen. Onderzoek deze kwestie opdat die u helder en duidelijk wordt. Sommige mensen zijn als papegaaien. Zij leren de muzieknoot die zij toevallig horen, zingen die, maar begrijpen niet wat zij voortbrengen. Er is in Perzië tegenwoordig een sekte die bestaat uit een handjevol personen die zichzelf ‘Bábí’ noemen, en beweren volgelingen te zijn van de Báb, terwijl zij Hem in het geheel niet kennen. Zij hebben enkele geheime leringen die lijnrecht staan op de leringen van Bahá’u’lláh. In Perzië weten de mensen dat, maar wanneer deze lieden naar Europa komen, houden zij hun eigen leringen achter en brengen die van Bahá’u’lláh naar voren, want zij weten dat de leringen van Bahá’u’lláh krachtig zijn en daarom verkondigen zij die onder hun eigen naam. Over hun geheime leringen zeggen zij dat die uit de Bayan komen, het Boek van de Báb. Maar als u van de Bayan de vertaling bemachtigd, zoals die in Perzië werd gemaakt, dan zult u ontdekken dat de leringen van (de Bab en) Bahá’u’lláh compleet tegengesteld zijn aan de leringen van deze sekte. Hoed u ervoor dit feit te veronachtzamen. Mocht u deze zaak verder willen onderzoeken, win dan inlichtingen in uit Perzië.

34 — Kortom, wanneer men over de wereld reist en rondtrekt en men ergens opbouw aantreft, dan is dat het resultaat van kameraadschap en liefde; terwijl alles wat in puin ligt de uitwerking toont van vijandschap en haat. Desondanks is de mensheid zich daarvan nog niet bewust en nog niet ontwaakt uit de slaap van achteloosheid. Opnieuw begeeft zij zich in geschillen, in woordenstrijd en gekrakeel zodat zij haar strijdkrachten kan opstellen en af en aan kan stormen in de arena van bloedvergieten en strijd.

35 — Zo is het ook voor wat betreft het heelal en zijn onvolmaaktheid, zijn bestaan en niet-bestaan. Ieder afhankelijk wezen is opgebouwd uit talrijke verschillende elementen en het bestaan van alles is een gevolg van samenvoeging. Dat wil zeggen, dat wanneer er tussen enkelvoudige elementen een samenvoeging plaatsvindt er een wezen ontstaat; de schepping van wezens vindt op deze wijze plaats. En wanneer die samenstelling wordt verstoord, volgt ontbinding, de elementen vallen uiteen en dat wezen houdt op te bestaan. Dat wil zeggen, de vernietiging van alles bestaat uit de ontbinding en het uiteenvallen van de bestanddelen. Daarom is iedere samenvoeging van elementen de oorzaak van leven, terwijl ontbinding en scheiding de oorzaak van dood zijn. Kortom, aantrekkingskracht en harmonie brengen vruchten en nuttige resultaten voort, terwijl afstoting en disharmonie de oorzaak zijn van wanorde en vernietiging. Uit harmonie en aantrekkingskracht komen alle levende, afhankelijke wezens voort, zoals planten, dieren en mensen; en vanuit disharmonie en afstoting zet het verval in en manifesteert zich vernietiging. Daarom vormt al wat de oorzaak is van harmonie, aantrekking en eenheid onder mensen het leven van de wereld der mensheid, en al wat de oorzaak is van geschillen, afstoting en scheiding de oorzaak van de dood der mensheid. En wanneer men langs een tuin komt waarin groentebedden, planten, bloemen en geurige kruiden alle zijn samengevoegd tot één harmonieus geheel, dan bewijst dit dat deze gaarde en rozentuin verzorgd en geordend werden door de inspanningen van een volmaakte tuinman. Terwijl wanneer men een verwilderde tuin ziet, waar schikking ontbreekt en alles door elkaar staat, dat erop wijst dat die verstoken is gebleven van de zorg van een bekwame tuinman; ja dat die eigenlijk niets anders is dan een veld onkruid. Daarmee is duidelijk gemaakt dat kameraadschap en harmonie wijzen op het onderricht van de ware Leraar, terwijl scheiding en verstrooiing, wijzen op wildgroei en het ontbreken van Goddelijke Leiding.

36 — Mocht iemand tegenwerpen dat, aangezien de gemeenschappen, naties, rassen en volkeren van de wereld verschillende en uiteenlopende wetten, gewoonten, smaken, temperamenten, morele opvattingen, denkbeelden, redeneringen en meningen hebben, het daarom onmogelijk is om een ideale eenheid tot stand te brengen en volledige eenheid onder de mensen te verwezenlijken, dan verklaren wij dat er twee soorten verschillen zijn: de ene leidt tot verwoesting en is als het verschil tussen strijdende volkeren en concurrerende naties die elkaar vernietigen, elkaars gezinnen ontwortelen, rust en gemak tenietdoen en zich bezighouden met bloedvergieten en roofzucht. Die soort is afkeurenswaardig. Maar het andere verschil bestaat uit variatie. En die is de volmaaktheid zelf en de oorzaak van het verschijnen van Goddelijke milddadigheid. Kijk naar de bloemen van de rozentuin. Hoewel zij tot verschillende soorten behoren en verschillende kleuren en verschijningsvormen hebben, drinken zij toch van één en hetzelfde water, worden zij in beweging gebracht door één en dezelfde bries en groeien zij door de warmte en het licht van één en dezelfde zon. Deze variaties en verschillen maken dat elk de schoonheid en pracht van de ander versterkt. De verschillen in manieren, gebruiken, gewoonten, gedachten, meningen en temperament zijn de oorzaak van de verfraaiing van de wereld der mensheid. En dat is prijzenswaardig. Zo zijn ook de verschillen en variatie in de delen en ledematen van het menselijk lichaam de oorzaak van het verschijnen van schoonheid en volmaaktheid. Aangezien deze verschillende delen en ledematen onder controle staan van de overkoepelende geest en die geest alle organen en ledematen doordringt en over alle slagaders en aders heerst, versterken dit verschil en deze variatie, liefde en harmonie en vormt deze verscheidenheid juist de grootste bijdrage tot eenheid. Als in een tuin de bloemen en geurige kruiden, de bloesems en vruchten, de bladeren, takken en bomen tot één soort, één vorm, één kleur en één schikking horen, dan is er geen schoonheid of lieflijkheid. Maar wanneer er variatie bestaat, zal elk bijdragen aan de schoonheid en charme van de ander, een bewonderenswaardige tuin vormen, en verschijnen in de meest volmaakte lieflijkheid, frisheid en zoetheid. Wanneer de verschillende en uiteenlopende denkbeelden, vormen, meningen, karakters en zeden van de mensheid onder het bestuur van één Opperste Macht en onder de invloed van het Woord van de ene ware God vallen, dan zullen ook zij naar voren komen en getoond worden in de meest volmaakte heerlijkheid, schoonheid, verhevenheid en perfectie. Tegenwoordig kan niets dan de kracht van het Woord van God dat de werkelijkheid der dingen omvat, de gedachten, geesten, harten en zielen onder de schaduw van één Boom bijeen brengen. Hij is de Machtige in alles, de Bezieler, de Onderhouder en de Bestuurder der mensheid. Geprezen zij God dat in deze dag het licht van het Woord van God alle gebieden heeft beschenen en dat vanuit alle sekten, gemeenschappen, naties, stammen, volkeren, religies en kerkgenootschappen zielen zich hebben verzameld onder de schaduw van het Woord van Eenheid en zich in de meest intieme kameraadschap en harmonie hebben verenigd! —

Enige tijd geleden, gedurende de oorlog, werd een brief geschreven betreffende de leringen van Bahá’u’lláh die zeer goed aan dit epistel kan worden toegevoegd.

1 — O volkeren van de wereld! De dageraad van de Zon van Waarheid is aangebroken ter verlichting van de gehele aarde en ter vergeestelijking van de mensengemeenschap. Prijzenswaardig zijn de resultaten en vruchten daarvan, overvloedig de heilige bewijzen van deze genade. Dit is zuivere genade en pure milddadigheid; het is licht voor de wereld en al haar volkeren; het is harmonie en kameraadschap, en liefde en solidariteit; waarlijk het is mededogen en eenheid, en het einde van vervreemding; het is één zijn met allen op aarde in volmaakte waardigheid en vrijheid.

2 — De Gezegende Schoonheid zegt: ‘Gij zijt allen de vruchten van één boom, en de bladeren van één tak.’ Aldus heeft Hij de wereld van bestaan vergeleken met één enkele boom en al haar mensen met de bladeren, bloesem en vruchten daarvan. Het is noodzakelijk dat de tak uitgroeit en er bladeren en fruit verschijnen. Van de onderlinge verbondenheid van alle delen van de boom-der-wereld is de ontplooiing van blad en bloesem, en ook de zoetheid van het fruit afhankelijk.

3 — Om die reden moeten alle mensen elkaar krachtig steunen en het eeuwige leven zoeken. En om die reden moeten zij die God liefhebben in deze afhankelijke wereld tot de weldaden en zegeningen worden die uitgaan van deze genadige Koning van het geziene en ongeziene rijk. Laten zij hun blik zuiveren en de gehele mensheid bezien als bladeren, bloesem en vruchten van de boom van bestaan. Laten zij zich steeds bezighouden met het doen van iets aardigs voor een van hun naasten, iemand liefde geven, aandacht en zorgzame hulp. Laten zij niemand als hun vijand zien of kwaad toewensen, maar aan de gehele mensheid denken als hun vrienden; de vreemdeling als een vertrouweling beschouwen en de onbekende als een metgezel, vrij van vooroordeel blijven en geen scheidslijnen trekken.

4 — In deze dag is de meest geliefde aan de Drempel van de Heer hij die de beker van trouw ronddeelt; die zelfs zijn vijanden het juweel van milddadigheid schenkt, en zijn gevallen onderdrukker de helpende hand toesteekt; hij die zelfs voor zijn ergste vijanden een liefdevolle vriend is. Dit zijn de Leringen van de Gezegende Schoonheid, de Raadgevingen van de Grootste Naam.

5 — O geliefde vrienden! De wereld is in oorlog en het mensenras is in verwarring en verwikkeld in een dodelijke strijd. De donkere nacht van haat heeft gewonnen en het licht van goed vertrouwen is gedoofd. De volkeren en geslachten der aarde hebben hun klauwen gescherpt en storten zich nu op elkaar. Het is het eigenlijke fundament van het mensenras dat wordt vernietigd. Ontelbare gezinnen worden ontheemd en berooid, en ieder jaar wentelen zich duizenden en nog eens duizenden jonge mensen in hun bloed op modderige slachtvelden. De tenten van leven en vreugde zijn neergehaald. De generaals tonen hun leiderschap, trots op het bloed dat zij vergieten, in rivaliteit met elkaar over het aanzetten tot geweld. ‘Met dit zwaard’, zegt een van hen, ‘onthoofde ik een volk!’ En een ander: ‘Ik wierp een natie omver!’ En weer een ander: ‘Ik haalde een regering neer!’ Op zulke zaken laten mensen zich voorstaan, hier zijn zij trots op! Overal worden liefde en rechtvaardigheid afgekeurd, en harmonie en waarheidsliefde geminacht.

6 — Het Geloof van de Gezegende Schoonheid roept de mensheid op tot veiligheid en liefde, tot vriendschap en vrede, het heeft zijn tent gezet op de pieken der aarde, en zijn oproep gericht aan alle landen. Ken daarom, o gij die Gods geliefden zijt, de waarde van dit kostbare Geloof, gehoorzaam zijn leringen, volg dit recht gebaande pad, en toon het de mensen. Verhef uw stem en zing het lied van het Koninkrijk. Verspreid de voorschriften en raadgevingen van de liefhebbende Heer, opdat de wereld zal veranderen in een andere wereld, deze donkere aarde zal baden in het licht, en het dode lichaam der mensheid zal opstaan en herleven; opdat iedere ziel om onsterfelijkheid zal vragen door de heilige ademtocht van God.

7 — Weldra zullen uw vluchtige dagen zijn geteld. De roem en rijkdom, het gemak en de geneugten die u door deze stortplaats, de wereld, werden geschonken, zullen spoorloos zijn vervlogen. Roep daarom het volk op tot God en nodig de mensheid uit om het voorbeeld van de Hemelse Schare te volgen. Wees liefhebbende vaders voor de wezen, een toevluchtsoord voor de hulpeloze, een schat voor de armen, en genezing voor de lijdende. Wees de helpers van ieder slachtoffer van onderdrukking, de voormannen van de misdeelden. Denk er steeds aan om ieder lid van het mensenras een dienst te bewijzen. Sla geen acht op weerzin en afwijzing, op minachting, vijandschap, en onrecht; handel tegengesteld. Wees oprecht vriendelijk, niet alleen in uiterlijk. Laat ieder van God’s geliefden zich er op richten om voor de medemens God’s genade en gunst te zijn. Laat hem iets goeds doen voor een ieder wiens pad hij kruist, en die tot enig voordeel zijn. Laat hem het karakter van een ieder verbeteren en het verstand der mensen heroriënteren. Op deze wijze zal het licht van goddelijke leiding schijnen en de zegeningen van God de gehele mensheid omarmen: want liefde is licht, ongeacht in welke plek die verblijft; en haat is duisternis, waar deze zijn nest ook maakt. O vrienden van God! Span u in om die duisternis voor eeuwig en altijd uit te bannen, opdat het verborgen Mysterie zich zal openbaren en de geheime kern van alle dingen wordt onthuld.

‘Abdu’l-Bahá

*

 

Bron - Bahai Reference Library: Tablets to The Hague

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis