Nieuw licht in het Oosten

Julia Isbrücker

Julia Isbrücker

De Haagse esperantist Julia Isbrücker was in de zomer van 1920 twee maanden lang Ahmad Yazdání’s gids en tolk geweest. Zij voelde zich verwant met de Bahá’í idealen. Na Yazdání’s vertrek uit Nederland hielden de twee via brieven contact, hetgeen o.a. blijkt uit onderstaand artikel dat Isbrücker in 1925 naar het Maandblad van de Nederlandsche Vereniging van Staatsburgeressen zond. Deze vereniging had de ‘wettelijke, maatschappelijke en economische gelijkstelling van man en vrouw’ tot doel en was, na de invoering van het algemeen kiesrecht voor vrouwen en mannen in 1919, de voortzetting van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht.

— “NIEUW LICHT IN HET OOSTEN. Er bestaat in Perzië een godsdienstige sekte, wier aanhangers, de Bahai, een leer belijden, die veel overeenkomst vertoont met het Christelijke geloof. Zij staan bloot aan vervolgingen van allerlei aard, maar hun ijver wordt daardoor niet verflauwd.
Zij hebben een geestelijk leider, wiens woord voor hen wet is en hun aantal neemt voortdurend toe en zelfs in andere landen vindt de leerstellingen van de Bahai weerklank. Want het is niet alleen onder de Mohammedanen dat de leider Shoghi Effendi zijn volgelingen telt; ook onder de belijders van andere godsdiensten worden reeds velen gevonden, die leven volgens de beginselen van deze zuivere geloofsovertuiging. Zij willen vrede en liefde op aarde en hij schrijft hun voor wat zij daartoe moeten doen of ook nalaten. Hij gelooft niet aan de mogelijkheid om het ideaal te benaderen door middel van het politieke leven; daar moeten zij zich buiten trachten te houden, maar hij verwacht veel van de medezeggenschap der vrouw in geestelijke aangelegenheden en wil, dat de opvoeding en ontwikkeling der vrouwen ernstig ter hand worden genomen.
In een boodschap, welke de Bahai in 1924 van hem ontvingen, zeide hij ongeveer het volgende:
‘Ongelukkigerwijze worden de vrouwen in het Oosten en vooral in Perzië door de mannen onverschillig en met een soort minachting behandeld. Maar volgens de overtuiging van de Bahai strekken de handen van de Godheid zich uit naar deze hulpeloze vrouwen, wier rechten op maatschappelijk gebied zowel als in alle andere opzichten moeten worden gelijk gemaakt aan die, welke de mannen genieten. Om haar daartoe voor te bereiden, ontvangen de vrouwen der Bahai nu een goede opvoeding en zij zullen zodoende voor anderen de weg tot betere toestanden kunnen banen. Aan het onderwijs voor de meisjes wordt bijzondere zorg besteed en de mannen helpen daarbij zoveel zij kunnen.’
De geestdrift onder de vrouwen is groot. Zij hebben in zekeren zin het kiesrecht verkregen, want zij mogen deelnemen aan de verkiezing van de leden voor de geestelijke organisaties. In Teheran hebben zij vier verschillende commissies gevormd: de eerste om de vrouwen in openbare vergaderingen bijeen te laten komen; de tweede om meisjes te leren in het openbaar te spreken en goed te schrijven; de derde om de Bahai-leer onder andersdenkenden te verbreiden; de vierde om de geestelijke en zedelijke opvoeding der meisjes ter hand te nemen.
Daarenboven heeft Shoghi Effendi gelast, dat een commissie uit mannen bestaande, de vrouwen bij haar pogingen ter zijde zou staan. En het resultaat was reeds, dat enige gemengde vergaderingen werden gehouden, waar door enige vrouwen het woord werd gevoerd op een wijze, die veel voor de toekomst doet verwachten.
Dat dergelijke berichten nu en dan tot ons komen, danken wij aan de werkzaamheid der Esperantisten en de grote verbreiding van het Esperanto, waardoor het mogelijk is, rechtstreeks datgene te horen wat in vreemde, verre landen in de mensen leeft en groeit. Een Esperantist uit Teheran zond bovenstaande mededelingen aan Mevrouw J. C. Isbrücker te ’s-Gravenhage.” —

Op 11 december geeft Julia Isbrücker een lezing (in het Esperanto) over het Bahaisme voor Esperantisten en belangstellenden in de bovenzaal van het Zuid-Hollandsch Koffie Huis aan de Groenmarkt 37 te Den Haag. Een dag later doet de Haagsche Courant kort verslag:

— “Esperanto-lezing. Vrijdagavond sprak in de bovenzaal van het Zuidhollandsch Koffiehuis, mevr. J. C. Isbrücker, presidente van de Haagsche Esperanto-vereniging, voor leden en belangstellenden over het Bahaïsme, een nieuwe godsdienst in Perzië ontstaan, die reeds meer dan vier millioen aanhangers over de gehele wereld heeft en in een van zijn principes het leren van Esperanto aanbeveelt. — De rede werd in het Esperanto gehouden, evenals alle discussies. — Deze avond was bedoeld als studie-avond voor de Esperantisten naast de gewone conversatielessen. Er zullen meer dergelijke bijeenkomsten georganiseerd worden. Zang en declamatie luisterden de avond op.” —

Nieuw licht in het Oosten

Advertentie in Het Vaderland

Lidia Zamenhof en Julia Isbrücker

Lidia Zamenhof en Julia Isbrücker (1927)

Bronnen — Maandblad van de Nederlandsche Vereniging van Staatsburgeressen 15 januari 1925; Het Vaderland 7 december 1925; Haagsche Courant 12 december 1925

Ga terug naar: Nederlandse geschiedenis