Rita van Sombeek en Jetty Straub

Rita van Sombeek en Jetty Straub

Van Sombeek, True en Straub

Op de dag dat Duitse troepen Noorwegen binnenvallen (10 april 1940) neemt Hendrika van Bleyswijk Sombeek - zij noemt zich Rita van Sombeek - de trein van Amsterdam naar Parijs om vervolgens vanuit Italië de oversteek naar de Verenigde Staten te maken. Op 1 mei komt zij aan in New York waar haar vader werkzaam is als procuratiehouder van de chocoladefabrikant Van Houten. Tijdens haar studie filosofie aan de Columbia Universiteit komt Van Sombeek in 1944 in contact met bahá’ís en in augustus 1945 wordt zij tijdens de Bahá’í Zomerschool in Green Acre in Eliot, Maine, officieel bahá’í.

Enkele dagen later bezoekt zij Louise Drake Wright in Boston. Die vertelt haar over haar bahá’í-activiteiten in Nederland en geeft haar het adres van het echtpaar Greeven in Californië. De morele plicht om nu zelf ook de bahá’í-idealen naar Nederland te brengen groeit en wordt nog eens versterkt als in december haar jongere zus, Jetty Straub-Van Bleyswijk Sombeek uit Rotterdam overkomt.

Begin 1946 biedt Van Sombeek zich aan om als ‘pionier’ naar Nederland te gaan. Uit haar brief aan de Behoeder:

— ‘Mevrouw Greeven … schreef me dat vanwege zijn gezondheid de heer Greeven niet aan uw wens kan voldoen om naar Nederland terug te keren. Geliefde Behoeder, het doel van deze brief is om uw toestemming te vragen om in zijn plaats te mogen gaan, hoewel ik slechts een nieuwe en onervaren bahá’í ben.’ —
— Van Sombeek aan Behoeder, brief 20 februari 1946

De secretaris van de Behoeder antwoordt:

— ‘Beste bahá’í-zuster, Uw brief van 20 februari is ontvangen en de geliefde Behoeder heeft mij opgedragen deze namens hem te beantwoorden. Hij is zeer verheugd u als medewerkster in onze glorieuze Zaak te verwelkomen, en hij keurt uw plan om naar Holland te gaan en de leringen te verspreiden goed. Er is in Europa een grote behoefte aan bahá’í-werkers en zij die, zoals u, daar familie en voorzieningen hebben, moeten zeker alles doen wat zij kunnen om deze hoopgevende Boodschap te brengen aan mensen die zoveel ellende en ontgoocheling hebben meegemaakt. […]’ —

— Secretaris van de Behoeder aan Van Sombeek, brief 5 maart 1946

Na in het Bahá’í Centrum van New York diverse bijeenkomsten te hebben bezocht, treedt ook Straub op 18 april 1946 officieel toe tot de Bahá’í-gemeenschap. De zussen vliegen vervolgens naar Chicago, waar zij in de Foundation Hall onder het nog in aanbouw zijnde Huis van Aanbidding in Wilmette de jaarlijkse Bahá’í Conventie (26 t/m 29 april) bijwonen.

Die conventie opent met een brief van de Behoeder waarin het tweede Zevenjaren Plan (1946-1953) voor de bahá’ís van de Verenigde Staten en Canada wordt gepresenteerd. Onderdeel van het plan is ‘het in gang zetten van systematische onderrichts-activiteiten in het door oorlog verscheurde, geestelijk verhongerde Europese continent […] gericht op de vestiging van krachtige, stevig gegrondveste raden in de Scandinavische landen, Holland, België, Luxemburg, Zwitserland, Italië, Spanje en Portugal.’ Dit deel van het plan wordt bekend als het ‘Europese Onderrichts Project.’

Vooruitlopend op het nieuwe meerjarenplan had de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten al een acht leden tellend European Teaching Committee (ETC) benoemd. Het is dit comité dat Van Sombeek en Straub zal ondersteunen bij hun terugkeer naar Nederland.

Op woensdag 25 september 1946 vertrekken de zussen samen met Edna True, de voorzitter van het ETC, met de Westerdam van de Holland-Amerika Lijn vanuit Hoboken, New Jersey, naar Rotterdam; aan boord niet alleen 145 passagiers, maar ook 8.000 ton lading, waaronder 140 automobielen.

In de vroege ochtend van 4 oktober 1946 meert de Westerdam af aan de Wilhelmina-pier in Rotterdam. Van Sombeek trekt in bij haar zus in diens huis in Rotterdam-Kralingen. Van Sombeek:

— ‘In die tijd waren voedsel en brandstof op rantsoen en het leven was moeilijk. Ik weet niet wat ik het meeste miste, het niet hebben van eieren, of citrusvruchten, of koffie … In ons huis met negen kamers mocht er maar één kamer verwarmd worden en niet warmer dan zo’n 15 of 16 graden.’ —

— Van Sombeek in The Grosse Pointe Review, 17 november 1949

Tijdens die koude wintermaanden maken de twee zussen een nieuwe Nederlandse vertaling van John Esslemont’s boek Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk. Het boek zal in juni 1947 verschijnen.

Sombeek

New York City, Times Square 1944

Wilmette

Bahá’í Huis van Aanbidding, Wilmette 1946

Van Sombeek en Straub

De eerste bahá’í-pioniers vertrekken in september naar Europa.
V.l.n.r. Jetty Straub, Etty Graeffe, Rita van Sombeek, en Madeleine Humbert. Mw. Kalantar en mw. Tichenor doen hen uitgeleide.

Van Sombeek en Straub

De Westerdam aan de Wilhelminapier in Rotterdam, rechts de torentjes van het hoofdkantoor van de Holland-Amerika Lijn, 1946

Bronnen — Bahá’í World volume 18 (1979-1983) In Memoriam Rita van Bleyswijk Sombeek p. 763; Gemeentearchief Rotterdam; Nationaal Bahá’í Archief; Het Nieuws; algemeen dagblad 1 okt. 1946; Bahá’í News okt. 1946.

Ga terug naar: Nederlandse geschiedenis