HET TWEEDE INTERNATIONALE CONGRES VOOR ZEDELIJKE OPVOEDING

Universeel Onderwijs

Den Haag 22-27 augustus 1912

Terwijl ‘Abdu’l-Bahá door Noord-Amerika reist om daar de universele vrede te onderrichten, vindt in Den Haag het 2e Internationale Congres voor Zedelijke Opvoeding plaats.

Na afloop van het International Moral Education Congress van 1908 in Londen hadden de weinige Nederlandse deelnemers zich voorgenomen om, onder leiding van Dr. Johannes Theodorus Mouton, farmacoloog en oud-Wethouder van Onderwijs te Den Haag — ‘de gedachte te doen postvatten, dat het tijd wordt, ernstig te gaan nadenken over de vraag, of zedelijk onderwijs en opvoeding verbetering behoeven, of zij kunnen medewerken, méér dan tot dusverre het geval scheen, tot verbetering van maatschappelijke toestanden, wegneming van sociale noden, en voorkoming van kwaad en ellende.’ — Met andere woorden, zij willen er voor zorgen dat het volgende internationale congres voor zedelijke opvoeding in Den Haag zal worden gehouden.

In kringen van bijzonder onderwijs op kerkelijke grondslag bestaat er echter een grote terughoudendheid voor zo’n tweede internationaal congres. Men is bang dat het congres ‘dienstbaar gemaakt zal worden aan een moraal zónder religie’. Maar in maart 1910, op een bijeenkomst in het Zuid-Hollandsch Koffiehuis te Den Haag, weten de initiatiefnemers de aanwezigen, waaronder vertegenwoordigers van een groot aantal verenigingen, en ook enkele regeringsambtenaren, te overtuigen van de onpartijdigheid en veelzijdigheid van de opzet van het voorgenomen congres. Doorslaggevend daarbij is het bezoek van Harrold Johnson, een van de bestuursleden van het Londense congres.

— ‘De heer Johnson betoogde op de meeting, dat de godsdienst in vroeger tijden altijd de basis is geweest van alle opvoeding, doch dat dit verband in onze tijd door de uitbreiding van het intellectuele onderwijs verbroken is. De Moral Education League heeft eerst dat verband ook niet op de voorgrond gesteld, maar al spoedig ingezien, dat zij daaraan verkeerd deed, omdat Engeland een zeer godsdienstig land is. Thans wordt juist het streven sterker, het verband tussen zedelijkheid en godsdienst te herstellen. Daarvoor is nodig, dat alle godsdienstige richtingen zich op een congres voor zedelijke opvoeding zullen uiten.’ —

— Het Vaderland, 12 maart 1910

Zo’n dertig verenigingen steunen het plan. De secretaris van de Bond voor de Behartiging van de Belangen van het Kind, Mevrouw Adrienne (‘Attie’) Gertrude Dyserinck, muzieklerares, organist en theosoof, treedt als secretaris toe tot het voorlopig organiserend comité. Voor inlichtingen over het congres kan men zich voortaan tot haar wenden.

In juli schrijft Dyserinck mogelijke belangstellenden in Nederland aan. En om zoveel mogelijk confessionelen en vrijdenkers binnenboord te krijgen, komt in oktober ook de historicus Prof. M.E. Sadler, voorzitter van het eerste congres, vanuit Manchester naar Nederland om met lezingen in Den Haag, Amsterdam en Groningen ‘de betekenis van de congressen’ uiteen te zetten en vragen te beantwoorden.

Nadat op 7 oktober het General Committee in Londen, op voorspraak van Johnson en Sadler, unaniem heeft besloten om het tweede congres in Den Haag te laten plaatsvinden, wordt op 29 december tijdens een drukbezochte vergadering in die stad een veertien leden tellend Algemeen Nederlands Comité voor het Congres voor Zedelijke Opvoeding geconstitueerd, met Mouton als voorzitter en Dyserinck als secretaris.

Al in februari 1911 kan er een voorlopig congresprogramma worden gepresenteerd en begint men met openbare propaganda. Voorzitter Mouton benadrukt daarbij herhaaldelijk de geest van het congres: 

— ‘Het congres zal geen propaganda maken voor een vereniging of richting, welke ook, doch aan allen, die in zedelijke opvoeding belang stellen, onverschillig van welke godsdienst, nationaliteit, gezindte of richting, gelijke gelegenheid geven, om hun gedachten te uiten en met andersdenkenden van gedachten te wisselen. […] Er zullen geen besluiten worden genomen behalve van administratieve aard. Het karakter der inleidingen en besprekingen moet zoveel mogelijk opbouwend zijn en het bevorderen van onderlinge lering zal op de voorgrond gesteld worden.’ — 

— Het Vaderland, 26 februari 1911

Ondertussen ‘bewerkt’ secretaris Dyserinck ‘de akker in het buitenland.’ Eerste stap is het oprichten van nationale commissies in de verschillende landen of het vinden van secretarissen daar. Men kan aan het congres deelnemen door in persoon aanwezig te zijn, maar ook door alleen een ‘inleiding’ in te zenden. Die inleidingen zullen vóóraf worden gedrukt en ten minste één maand vóór het congres ter beschikking van de deelnemers komen. Tijdens het congres zélf zullen die referaten niet worden voorgelezen, maar de auteurs krijgen wel elk vijf minuten spreektijd voor een toelichting. Het is waarschijnlijk in deze periode, het voorjaar van 1911, dat ‘Abdu’l-Bahá wordt benaderd. Hoe dat contact precies tot stand komt is niet duidelijk. Al in februari 1912 zijn er zoveel inleidingen binnen dat men kan beginnen met het drukken van het eerste deel van de ‘Mémoires’.

Aan de vooravond van het congres - donderdag 22 augustus - worden de ruim 250 deelnemers, waaronder 23 officiële regeringsdelegaties uit Australië, België, Bulgarije, Canada, Chili, China, Denemarken, Egypte, Frankrijk, Griekenland, Haïti, Hongarije, Ierland, India, Japan, Noorwegen, Portugal, Roemenië, Rusland, Spanje, Tunesië, Turkije en Zweden, door de Burgemeester van Den Haag feestelijk ontvangen in het Kurhaus te Scheveningen.

De volgende dag, vrijdag 23 augustus, opent om 10 uur in de grote zaal van het Koninklijk Zoölogisch Botanisch Genootschap in de Haagse Dierentuin het tweede congres met een rede door de vice-voorzitter van het uitvoerend comité — nee niet de voorzitter, want Dr. Mouton, de drijvende kracht achter het congres, is drie weken eerder na een operatie overleden. Nadat jonkheer De Ranitz namens Beschermvrouwe Koningin-Moeder Emma het congres heeft verwelkomd en heeft benadrukt dat godsdienst voor Hare Majesteit het — ‘grondbeginsel vormt en de onmisbare basis is van elke welverzorgde en zedelijke opvoeding’ —  wordt tot 1 uur in de middag het onderwerp ‘zedelijke opvoeding beschouwd van confessioneel en vrijzinnig-godsdienstig standpunt en onafhankelijk van de godsdienst’ behandeld. 

Na de lunch start om 2 uur de bijeenkomst met als onderwerp ‘zedelijke opvoeding beschouwd van sociaal en nationaal standpunt’. De inleiding Universal Education van ‘Abdu’l-Bahá Abbas uit Alexandrië staat als eerste op de agenda.

Het is niet duidelijk óf, en zo ja in welke mate, dit referaat op het congres zelf wordt besproken. Er zijn voor zover bekend geen bahá’ís aanwezig. Wel wordt ‘Abdu’l-Bahá’s bijdrage opgenomen in de ‘Mémoires’ van het Congres die in 1912 door Dyserinck bij uitgeverij Martinus Nijhoff in Den Haag worden uitgegeven en via de congresdeelnemers beschikbaar komen voor een breed internationaal publiek.

UNIVERSEEL ONDERWIJS

door ‘Abdu’l-Bahá Abbas
Alexandrië
(ongeautoriseerde vertaling)

 

— O gerespecteerde bijeenkomst van de wereld der mensheid!

— Dergelijke nobele bedoelingen en uitstekende doelstellingen, zoals getoond door uw Congres, zouden ’s werelds grootste dank en instemming moeten ontvangen. U bent onvermoeibaar bezig met inspanningen die bijdragen aan de vrede en rust van de mensheid, want de bevordering van welzijn en geluk in het rijk der schepping hangt af van de algemene verheffing en morele verfijning van de mensenwereld.

— De belangrijkste doelstellingen van morele opvoeding zijn het inprenten van een verheven ideaal, en het opwekken van ruimdenkendheid en nobele inspanningen. Er mag daarom zeker een beroep op de mensheid worden gedaan in het belang van zo’n groot werk.

— Overweeg! Het overheersende principe van het leven van vandaag lijkt er een te zijn die aanzet tot eigenbelang of persoonlijk welzijn - tot zelfbescherming en zelfzuchtige begeerte - tot egoïsme en zelfverheerlijking. Dergelijke ideeën leiden bij de meerderheid der mensen uiteindelijk tot complete vernedering, ongeluk en laagheid.

— Wanneer de mens zich verder heeft ontwikkeld in kennis en zijn inspanningen dienovereenkomstig nobeler worden, zal hij verlangen en streven naar het hogere goede voor zijn eigen huishouden en diens bescherming, want hij zal beseffen dat het comfort en de welvaart van zijn huis zijn eigen geluk verzekert. Nog verder voortschrijdend in overpeinzing en verheven aspiraties, zal hij er uiteindelijk naar streven het welzijn te zoeken van zijn landgenoten en van de natie; maar ondanks deze inspanningen en idealen, die gunstig zijn voor hemzelf, zijn huis en zijn landgenoten, kan hij nog steeds schadelijk blijken voor een andere natie, want zijn uiterste inspanningen zijn er op gericht om alle mogelijke voordelen voor zichzelf te benutten en er gewoonlijk naar te streven om voor zijn gezin en land de gemeenschappelijke welvaart van de wereld te monopoliseren. Hij meent dat wanneer andere landen en naburige mogendheden worden neergehaald, de vooruitgang van zijn eigen land en volk groter zal zijn, totdat hij door oppermacht en extreme rijkdom alle andere rassen zegevierend zal overheersen.

— Maar de godvrezende mens en hemelse persoon is absoluut vrij van dergelijke gebondenheden. De edelmoedigheid van zijn gedachten en verheven doelen staan hier boven, want de cirkel van zijn gedachten (ideeën) wordt voldoende verruimd om te beseffen dat universele voordelen de basis zijn voor individueel geluk, terwijl het verwonden van andere landen en mogendheden moet worden beschouwd als het aantasten van zijn eigen land, eigen natie, eigen huishouden en zichzelf. Daarom spant hij zich oprecht in om geluk en voordeel voor de hele wereld te verkrijgen en beschermt hij het welzijn van anderen in het algemeen, op zoek naar de verheffing, verlichting en welvaart van een ieder. Hij kent geen onderscheid, want hij beschouwt de mensheid als één en de landen als de individuele leden van één huishouden! Nee, meer nog! Hij beschouwt de collectieve mensengemeenschap als één enkel wezen en elke land als een lichaamsdeel daarvan.

— De verhevenheid van motief moet in de mens zodanig ontwikkeld worden dat die de universele moraal kan helpen en een middel kan zijn tot glorie van het menselijk ras. Maar vandaag de dag is het omgekeerde het geval; want de landen in de wereld overwegen alleen hun eigen verheffing, terwijl zij de ondergang van andere verlangen; ja, zij streven er zelfs naar om zich de welvaart van anderen toe te eigenen en hen te kwetsen, zij beschouwen die strijd als het winnen van onsterfelijkheid en verklaren dergelijke omstandigheden als het natuurlijke fundament der mensheid, maar dit is een grove fout; er is waarlijk geen grotere fout dan deze.

— God zij geprezen! Bij sommige dieren wordt solidariteit en wederzijdse samenwerking in het leven vaak gezien; in tijden van gevaar, zal elk trachten de andere te overtreffen in hulp. Op een dag toen ik bij een stroompje stond, zag ik enkele sprinkhanen die nog geen volledige vleugels hadden ontwikkeld. Deze insecten die van mijn kant van het water naar de andere kant wilden gaan om wat voedsel te vinden, drongen voorwaarts waarbij elk probeerde de ander te overtreffen door zichzelf in het water te storten, opdat er een brug werd gevormd, waarover de andere zouden kunnen oversteken. En dit lukte, maar zij die zichzelf als brug voor de andere gaven, kwamen uiteindelijk om!

— Bedenk nu hoe een dergelijke solidariteit leven mogelijk maakt in tegenstelling tot het vechten voor zichzelf dat het leven over het algemeen vernietigt! Zolang insecten bewonderenswaardige instincten hebben, hoeveel te meer zou de mens die dan niet moeten bezitten, hij die het edelste der schepselen is; vooral wanneer Goddelijke Wetten en Hemelse Leringen de mens leren hoe die deugden kan verwerven. In Gods ogen worden nationale rangen, vaderlandslievende verschillen, familiefaam en eigenbelang verafschuwd en veroordeeld.

— De verschijning van het Heilige en de openbaring van alle Goddelijke Boeken waren bedoeld om deze principes in praktijk te brengen en te uiten in deugden en volmaaktheden. Alle Heilige Leringen kunnen aldus worden samengevat: de lagere opvattingen van eigenbelang moeten uit de menselijke geest worden verwijderd, de algemene moraal van het ras moet worden hervormd en verheven, en gelijkwaardigheid en solidariteit moeten universeel worden gevestigd, en wel in zo’n mate dat het individu gemakkelijk zijn leven zal opofferen voor een ander. Dit is het goddelijke fundament en de hemelse wet. Maar zo’n solide basis kan slechts worden gelegd door een allerhoogste Macht, die de gevoelens van de mensheid beïnvloedt; geen enkele kracht anders dan de Kracht en de Ademtocht van de Heilige Geest is in staat om zulke kenmerken te ontwikkelen. Die transformeert de mens zodanig dat diens moraal volledig verandert en hij opnieuw geboren en gedoopt wordt met het Vuur van de Liefde Gods - dat betekent Universele Liefde en het Water van Eeuwig Leven.

— Filosofen van weleer die oprecht probeerden de verfijning van de moraal te bevorderen, waren voornamelijk in staat om zichzelf als individu te beïnvloeden, maar niet de wereld. Denk na over de verslagen van het verleden en deze waarheid zal u zeker duidelijk worden. Alleen door de kracht van de Heilige Geest kan de universele moraal worden verbeterd en bevorderd, de wereld der mensheid worden verlicht, een ideale verheffing worden verkregen, en waarachtig onderricht worden ontvangen. Daarom moeten de oprechte weldoeners van de wereld zich onophoudelijk inspannen om door hun geloofskracht de bevestigingen van de Heilige Geest aan te trekken.

— Het is mijn hoop dat uw eerbare Congres en het bijeenkomen van goedwillende zielen die menselijke vooruitgang willen, vergeleken kan worden met een spiegel die de stralen van de Zon van Waarheid weerkaatst en de oorzaak zal zijn van verheffing en onderwijzing van de universele moraal!

— Aanvaard alstublieft mijn grote waardering en hoge achting voor deze onschatbare bijeenkomst.

Johannes Theodorus Mouton

Johannes Theodorus Mouton, 1912

Adrienne Gertrude Dyserinck

Adrienne (‘Attie’) Gertrude Dyserinck, 1914

Internationaal congres zedelijk opvoeding

Openingszitting in de grote zaal van het Koninklijk Zoölogisch Botanisch Genootschap in de Dierentuin van Den Haag, 23 augustus 1912

Internationaal congres zedelijk opvoeding

Congres bureau met aan tafel (onder de klok) secretaris Dyserinck

Universeel Onderwijs

Universeel Onderwijs

Universeel Onderwijs

Universeel Onderwijs

Bronnen: — A.G. Dyserinck [ed]: Deuxieme Congres International d’Education Morale, La Haye 1912. Compte-rendu, volume 1. La Haye, Martinus Nijhoff, 1913; A.G. Dyserinck [ed]: Deuxieme Congres International d’Education Morale, La Haye 1912. Mémoires sur l'éducation morale, volume 2. La Haye, Martinus Nijhoff, 1912; Het Vaderland 1910-1912; Gemeente Archief Den Haag.

Ga terug naar: Nederlandse geschiedenis