Velddag Rein Leven Beweging

Truus Mulder en Lodewijk van Mierop

Samen met de esperantisten Daniël en Catharina Roskes, respectievelijk de zwager en zus van Julia Isbrücker, reist Ahmad Yazdání zondagochtend (27 juni 1920) met de trein van Den Haag naar Haarlem om daar deel te nemen aan de jaarlijkse Velddag van de Rein Leven Beweging.
Die Beweging was in 1901 opgericht door het echtpaar Truus Mulder en Lodewijk van Mierop en draait om een visie op sexualiteit: ‘De R.L.B. is ’n vereniging welke zich richt tot allen die het ernstig voornemen koesteren om tot degelijker en reiner toestanden te komen op sexueel gebied’, aldus de beginselverklaring. De libido wordt gezien als een dierlijke last, een lage begeerte, die de mens afhoudt van ‘het Hogere’ en veel leed veroorzaakt zoals prostitutie, ongewenste zwangerschap en geslachtsziekten. Kortom, de lust is een last. Een last die moet worden verlicht door af te zien van vlees, alcohol, tabak en ‘zinneprikkelende dansen’, door zich in te zetten voor emancipatie, seksuele voorlichting en het vrije huwelijk, en door ruim-zittende (reform) kleding te dragen, regelmatig licht-, lucht- en koudwaterbaden te nemen, en zoveel mogelijk in de vrije natuur te verblijven.
Dit jaar vindt de Velddag plaats op het terrein van de Haarlemse watertoren in de duinen van Overveen. Lodewijk van Mierop fungeert als voorzitter en echtgenoot Truus zorgt voor een verslag in Levenskracht, het maandblad van de Beweging (oorspronkelijke spelling):

— ‘VAN EEN SCHONEN DAG — “Is het geen heerlike dag geweest?” Met die vraag namen we afscheid van elkaar aan station Utrecht en de warme handdruk en de ogenglans waren een welsprekend antwoord.
Het wàs een goede dag, Zondag 27 Juni, daar in de duinen van Overveen waar we tezamen waren met een honderdtal, allen blij gestemd om het prachtige weer, de mooie natuur om ons en het prettige gevoel onder vrienden te zijn, oude en nieuwe bekende, allen warm voelend voor onze gemeenschappelike taak, vol ijver voor ons grote doel. Het was een goede dag en wel mogen wij dankbaar zijn aan groep Haarlem, die ons zo goed heeft ontvangen, die zo’n mooi plekje voor ons gevonden had, zo zorgde voor inwendige versterking en verkwikking, die — kortom — een uitstekende gastvrouw wist te zijn.
Van vele kanten waren leden per trein aangekomen en het zal wel tegen 12 uur geweest zijn, toen wij allen onder de ritselende populieren in het mos zaten en onze algemene voorzitter met een hartelijk woord de Velddag opende, en de aanwezigen, onder wie ook de Vlaming, Jef de Combe welkom heette. Verschillende brieven werden voorgelezen van leden, die niet in ons midden konden zijn, o.a. van onze steeds trouwe vriend F. v.d. Wolk uit Bern, die vooral de Hollanders opwekte, toch meermalen met pak en zak erop uit te trekken en de vrije natuur in te gaan.
Gezamenlijk zongen wij ons “strijdlied”, waarna het “Soester kwartet” twee schone liederen zong. Het was daarna dat ondergetekende een stemmingsstukje voorlas “Van ’s-levens schoonheid” getiteld, waarmede zij meende de stemming van deze dag naderbij te komen. Zulk een dag is er toch een om te genieten, nietwaar, om de schoonheid te zien en te voelen, en voor een korte poos althans naar achter te dringen het weten en het beseffen van al het lelijke, dat op deze wereld en vooral op ons terrein bestaat.
Inmiddels was het tijd geworden om de middagboterham te gebruiken. De voorzitter stelde daarvoor twintig minuten beschikbaar, die gretig werden aanvaard en mij dunkt, dat de medegebrachte proviand, de verkrijgbaar gestelde kersen, pinda’s en het onmisbare kopje thee zich wel lieten smaken. Onze steeds werkzame C.C. [Centrale Commissie] maakte van de gelegenheid gebruik om tussen twee hapjes in de ernstige zaken onzer beweging te bespreken d.w.z. zij hield daar een eindje van het gewoel af een officiële vergadering. Hulde aan haar ijver!
Na de pauze, waarin menig vriendschappelijk gesprek gevoerd werd, waarin nieuwe kennissen werden gemaakt (iets, waarop de voorzitter terecht had aangedrongen), maar toch voor ’t grootste deel gebruikt om oude banden te versterken, na de pauze dan liet het Soester kwartet zich nogmaals met een paar nummers horen. Ze klonken zo mooi daar in de rust van de duinen. En nog meer gezang! Een fris, vrolijk, jong troepje Haarlemmers zong blijde en ernstige liederen. We genoten niet minder dan daar straks. Toen kreeg Elbrink het woord. In een vlot en vurig uitgesproken rede gaf hij zijn inzichten over litteraire kunst en wat die zijn moet. Hij pleitte voor de zedelijke waarde van het boek, hij raadde aan alleen hooggestemde boeken te lezen, zich niet te verliezen in litterair genot, maar in de eerste plaats te vragen naar de strekking en de sfeer van een boek, ook naar de persoon van de schrijver en het doel, waarmee hij schreef. Al zullen niet alle hoorders het met hem eens zijn geweest, zeker was er veel in Elbrink’s woorden, wat de juiste richting uitwees en met kracht opkwam tegen het slappe en verlagende in onze moderne litteratuur. In ’t bijzonder wees hij op de groten en goeden in de Nederlandse letterkunde: Van Eeden (vooral in zijn ouder werk) en Henriëtte Roland Holst.
Toen kwam een bijzondere gast van dezen dag aan het woord; bijzonder om zijn afkomst, landaard en om de taal, waarin hij sprak. Het was namelijk een broeder uit het verre Oosten, Perzië, en Ahmed Jardani [sic] genaamd, die naar deze lage landen gekomen is om te getuigen van zijn nieuwe godsdienst, het Bahaïsme. En hij sprak in de wereldhulptaal, het Esperanto. Velen van deze taalkenners waren dan ook naar Overveen gekomen, om hem te horen en met hem te spreken. Zeker heel aangenaam voor de sympathieke man, wien het niet mogelijk is in zijn moedertaal met Hollanders van gedachten wisselen.
Hij sprak (en mevrouw C. Roskes-Dirksen was hem een zeer verdienstelijke tolk) over de droeve toestanden, waaronder de vrouwen in zijn land gebukt gaan. Hij vertelde van haar volstrekte slavernij, haar onmondigheid in alles en hij prees ons, westerse vrouwen gelukkig, die zo vrij en zelfstandig door het leven konden gaan. En al was deze Oosterling wel eens wat naïef in zijn appreciatie van onze “beschaafde” toestanden en leefwijze, het is zeker, dat wij in veel ver vooruit zijn aan onze zusters in zijn land. Daarna sprak hij van zijn schone godsdienst, ongeveer 70 jaar geleden gesticht en nu geleid door Abdul Baha. Onder het van hogere hand bestuurde leiderschap van deze “Dienaar van God” heeft het Bahaïsme zich over alle landen en godsdiensten verspreid. Het heeft Christenen en Mohammedanen, Boeddhisten en Parsi’s, Joden en Hindoes verbonden in de wonderbaarlijkste geestelijke broederschap die de wereld ooit heeft gezien. De Bahaïsten geloven, dat dit het begin van die Gouden Eeuw op aarde is, den tijd van algemene vrede en liefde, waarin, zoals Christus voorspelde, mensen “zullen komen van Oost en van West, van Noord en van Zuid, en neer zullen zitten in in het koninkrijk van God.”
En als ik het veiliger vond uit het kleine boekje, dat de heer Jardani ons uitreikte, te citeren, liever dan op mijn geheugen af te gaan, dan kan ik niet nalaten daaruit ook de volgende “Twaalf Bahaïstische Grondstellingen” (meer dan zestig jaar geleden reeds verkondigd door de Meester van deze nieuwe religie) voor u over te schrijven . “1. De eenheid van de mensenwereld; 2. Onafhankelijk onderzoek naar de waarheid; 3. De grondslag van alle godsdiensten is dezelfde; 4. Godsdienst moet reden zijn tot eenheid; 5. Godsdienst moet in overeenstemming zijn met wetenschap en rede; 6. Gelijkheid van man en vrouw; 7. Vooroordeel van elke aard moet verdwijnen; 8. Wereldvrede; 9. Universele opvoeding; 10. Oplossing van het maatschappelijk vraagstuk; 11. Een algemene wereldtaal; 12. Een internationaal gerechtshof.”
Zijn dit geen prachtige stellingen, waarmee (zoals zij daar liggen) wij, die het Christendom in zijn diepte en breedte kennen, volkomen kunnen meegaan? Ik geloof, dat wij er niets aan hebben toe te voegen. En het zal onze Perziër dan ook niet verwonderen, als wij onze sympathie met zijn leer uitspreken, terwijl wij het betreuren, dat wij dit niet volmondig in zijn eigen taal kunnen doen. Laat ons hopen, dat Ahmed Jardani heeft gevoeld op onze velddag, ook zonder woorden, dat wij in hem een broeder hadden gevonden, ook in onze spesiale strijd.
Maar de middag spoedde al te ras ten einde. De hemel bleef stralend blauw, en de zon stond nog hoog, maar menig uurwerk liet te vlug zijn wijzers draaien en te ras vloog de tijd voorbij. […]

Nog enige liederen van ons kwartet, nog een gezamenlik lied en Jacobs dankte namens allen hen, die hadden meegewerkt tot het welslagen van deze mooie dag. De vier mannen-zangers uit Soest, die ons bizonder genot geschonken hadden, het frisse jonge klubje met z’n mooie liedjes, de sprekers van den dag, de Haarlemse groep, onze gastvrouw niet het minst. Toen was het nog een handdruk hier en daar, een vrolike groet, van ver en dichterbij en het werd haasten om met pak en zak trem en trein te halen. De Velddag was voorbij.
En …? Ik denk dat meerderen bij het afscheidnemen hier en daar gevraagd hebben mèt mij: “Was het geen heerlijke dag?” En dat een ferme druk van vele handen en het glanzen van veler ogen overal het welsprekend antwoord zijn geweest. Want het wàs een schone dag! Een dag om lang aan terug te denken. Een dag om dankbaar voor te zijn.’ —

— T. van Mierop - Mulder.

Rein Leven Beweging

Station van Haarlem

Watertoren van Overveen

Bron — T. van Mierop - Mulder: ‘Van een schonen dag.’ In: Levenskracht; maandblad voor Reiner Leven - augustus 1920.

Lees ook: De reis van ‘Abdu’l-Bahá’s Tafel aan Den Haag

Ga terug naar: Nederlandse geschiedenis