Aanslag op de Sjah

Aanslag op de Sjah

Násiru’d-Dín Sháh c.1852-1855

Het nieuws dat de ‘secte der Babis’ na het beleg van Zanjan definitief was verslagen en ‘uitgeroeid’, zoals begin 1851 nog in de dagbladen was bericht, blijkt ruim anderhalf jaar later onjuist. Begin oktober 1852 melden zowel de nationale als regionale kranten in Nederland dat er op 15 augustus een aanslag op het leven van de Sjah van Perzië is gepleegd. En dat de daders ‘Babis’ zijn die de dood van hun ‘opperhoofd’ wilden wreken.

Op 10 oktober 1852 bericht de Nieuwe Rotterdamsche Courant (oorspronkelijke spelling):

— ‘FRANSCHE POST — Brieven uit Konstantinopel spreken van een moordaanslag op den Schach van Persie. De misdaad moet door de volgende omstandigheden zijn vergezeld gegaan: De Schach begaf zich ter jagt in de omstreken zijner residentie. Een gedeelte van zijn gevolg trok hem vooruit, terwijl het andere gedeelte, hem, volgens de bestaande étiquette, op honderd schreden afstands volgde. Toen de Schach op zekere boschrijke plaats was gekomen, sprongen vier mannen uit het kreupelhout, schijnbaar met de bedoeling, om den Schach eene petitie te overhandigen.
Deze hield onmiddellijk den teugel van zijn ros aan en ook het gevolg hield stand. Op hetzelfde oogenblik grepen echter twee der mannen het paard bij de teugels, terwijl de twee anderen te gelijkertijd hunne vuurwapenen op den Schach losten, die door een kogel in den mond en door een anderen kogel in de lies getroffen werd.
De Schach, alhoewel niet doodelijk getroffen, stortte van het paard. Het gevolg wierp zich op de moordenaars, waarvan de twee, die vuur gegeven badden, letterlijk in stukken gehakt werden, terwijl den twee mannen, die het paard bij de teugels grepen, de beide handen werden afgehouwen; men liet dezen overigens in het leven en wierp hen in de gevangenis, in de hoop door hunne bekentenis nog meerdere schuldigen in handen te krijgen. Uit hunne verklaring moet gebleken zijn, dat zij tot de secte van Babès behooren, die door den Schach verdreven werd en dat zij meer in het bijzonder den dood van een hunner opperhoofden hebben willen wreken.
Men koesterde in den beginne groote vrees voor het behoud van het leven van den Schach, maar naderhand kwam er eene verbetering in zijnen toestand en voedde men de hoop op zijne algeheele herstelling.
Een andere brief zegt, dat de Schach door drie kogels getroffen werd, waarvan twee zijn uitgesneden, doch waarvan de derde op 12 September nog niet uit de wond was kunnen gehaald worden.’ —

— Nieuwe Rotterdamsche Courant 10 oktober 1852

Het bericht verschilt in details van dat van de Opregte Haarlemsche Courant van een dag later (11 oktober 1852, oorspronkelijke spelling):

— ‘LONDEN 7 october (’s avonds) — Berigten uit Konstantinopel van 23 September vermelden eenen aanslag op het leven van den Schach van Perzie. De bijzonderheden, die daaromtrent medegedeeld worden in brieven uit Tabreez en Erzerum van 28 Augustus en 9 September, komen op het volgende neder:
Den 15den Augustus, bij gelegenheid dat de Schach, met een talrijk gevolg, waaronder ook zijn eerste minister, zich op eene jagtpartij bevond en een bosch bij Maveranda bereikt had, zijn zes slecht gekleede Perzen den Vorst genaderd, om hem een verzoekschrift aantebieden. De Schach deed zijn paard stilstaan, en overeenkomstig het hof-gebruik, hield ook zijn gevolg, op een aanmerkelijken afstand achter hem, stil. Terwijl het verzoekschrift overhandigd werd, grepen twee der booswichten de teugels van het paard, en omringden de vier andere den Schach, in dreigende houding van hem voldoening eischende voor de beleediging, die hij hunne godsdienst had aangedaan door hun opperhoofd (behoorende tot de secte van Babi) te doen ombrengen. De Schach gelastte de booswichten, zich te verwijderen; maar voor dat zijn gevolg bij hem gekomen was, schoten twee hunner elk een pistool op hem af; hij werd daardoor aan den mond en aan de dij gewond, maar niet gevaarlijk. De aanranders vlugtten dadelijk in het bosch, maar werden nagezet door den hofstoet. Een hunner werd neergesabeld; twee andere gevangengenomen en naar Teheran vervoerd; de drie overige zijn later gegrepen en, op last van den eersten minister, onverwijld in stukken gehouwen. — Bij zijne terugkomst in het paleis, hebben de gezanten van Rusland, Engeland en Turkije terstond hunne opwachting bij den Vorst, gemaakt. Er hadden openbare vreugde-bedrijven plaats, en de stad Teheran is ’s avonds geïllumineerd geweest.’ —

Opregte Haarlemsche Courant 11 oktober 1852

Op 16 oktober 1852 geeft de Nieuwe Rotterdamsche Courant wat meer achtergronden over de daders (oorspronkelijke spelling):

— FRANSCHE POST — ‘Een brief uit Konstantinopel meldt nog de volgende bijzonderheden, betrekkelijk den moordaanslag op den Schach van Perzie. Er bestaat in Perzie, sedert eenige jaren, eene godsdienstige secte, Babis geheeten, die aan de verplaatsing der ziel uit het eene ligchaam in het andere (metempsychosis) gelooven en noch het gezag van den Koran, noch dat van Mohammed en de 12 Imans erkennen. Alleen den twaalfden iman, Saheb-Veman, waarvan Bab, hun opperhoofd, slechts de plaatsvervanger is, kennen zij gezag toe. Naar wen wil, belijden zij eene soort van communnistische leer en passen die ook op hunne vrouwen toe. Zij achten zich, ten gevolge van hun stelsel, betrekkelijk de zielsverhuizing, onsterfelijk en verachten derhalve het leven. Men schat het aantal Babis op 50.000. Sedert 1847, in de provincie Mazanderan, in openlijken opstand tegen het gezag van den Schach van Perzie zijnde, hebben zij sedert maanden hem weerstand geboden. Acht Babis, naar Teheran gevankelijk overgebragt, hebbende hen door den Schach aangeboden genade niet willen aannemen, vermits zij die met den afstand van hunne leerstellingen bekoopen moesten, zoodat dan ook allen werden ter dood gebragt, zonder dat zij iets daarvan afgeweken zijn. In den morgen van den 15den Augustus l.l., ten 8 ure, wierpen zich drie Babis, vast besloten om hunnen meester, den beruchten Bab, die bereids herhaalde malen tot bloedige tooneelen in Perzië heeft aanleiding gegeven, op den Schach, in den oogenblik dat hij te paard wilde stijgen, tot het houden eener jagtpartij, en losten pistoolschoten op hem, waardoor hij echter slechts ligtelijk gewond werd. Een der moordenaars werd onmiddelijk door de wacht en de officieren van den Schach om het leven gebragt, terwijl de twee anderen in hechtenis werden genomen. Tegen beiden is een regtsgeding ingesteld. Naar men verzekert, hebben zij driehonderd medepligtigen, die gezworen hebben den vorst te zullen dooden. Deze moordaanslag heeft schrik door het geheele land verspreid, doch tot nog toe werd er geene nieuwe poging tot zulk een misdrijf gedaan. Een aantal personen, van de medepligtigheid overtuigd, zijn ter dood veroordeeld en geëxecuteerd; doch men is er nog niet in geslaagd om al de vertakkingen van het komplot te ontdekken.’ —

— Nieuwe Rotterdamsche Courant 16 oktober 1852

De nog jonge Sjah - hij is pas 22 jaar oud - herstelt voorspoedig van zijn verwondingen. Maar dat voorkomt niet dat de aanslag leidt tot vergeldingsmaatregelen. De kranten melden dat zo’n 400 bábís, waaronder ene ‘Hagie-Suleiman-Kam’ — dit is Hájí Sulaymán Khán Tabrízí, een prominente bábí die in 1850 de stoffelijke resten van de Báb had geborgen — in Teheran op wrede wijze ter dood werden gebracht. Het Algemeen Handelsblad (21 oktober 1852, oorspronkelijke spelling):

— ‘DUITSCHE POST — Hagie-Suleiman-Kam, de persoon, die den moordaanslag tegen den Schach van Perzie beproefde, heeft de volgende straf ontvangen: Alle deelen van zijn ligchaam, wier kwetsing den dood niet ten gevolge konde hebben, werden met messen doorstoken en vervolgens de wonden met waskaarsen uitgebrand. In dezen toestand werd Suleiman door de stad gevoerd en voor eene der poorten levend gevierendeeld.’ —

— Algemeen Handelsblad 21 oktober 1852

De aanslag op het leven van Násiru’d-Dín Sháh heeft in Perzië vèrstrekkende gevolgen, maar in Nederland leidt het nieuws vooral tot een eerste kennismaking met de sekte der bábís, een nieuwe groep religieuze fanaten, zo lijkt het, die geen moslims zijn en zich verzetten tegen de Sjah en zijn regering. In de daaropvolgende 40 jaar is dat eigenlijk alle informatie die het Nederlandstalige publiek over de Bábí-Bahá’í-godsdienst heeft. Pas in 1893 als de arabist professor M. Jan de Goeje zijn uitvoerige en wetenschappelijke artikel ‘De Bâbîs’ publiceert in het tijdschrift De Gids komt daarin verandering.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis