Cornelis Prins verleent hulp

Cornelis Prins

Cornelis Prins

De Schiedammer Cornelis Franciscus Prins (1864-1937) vertrok in 1890 als handelsagent voor de firma Hotz & Zoon naar Perzië. Hij vestigde zich in Yazd. En het was daar dat hij in mei 1891 getuige was van bahá’í-vervolgingen.

“Geheel onverwachts heeft men hier maandag 18 dezer, 7 mannen m.n. bahá’ís gedood. Eén heeft men opgehangen vóór de Prins [gouverneur] en de zes anderen heeft men in verschillende wijken der stad gedood. […] Allen, uitgenomen No. 5, zijn getrouwd en hebben […] vrouw en kleine kinderen. De meesten zullen dan ook in zeer behoeftigen omstandigheden verkeren […] Ik heb een mijner bedienden, een Armeniër, order gegeven de nagelatenen der slachtoffers te bezoeken en te zien in hoeverre hulp verleend kan worden, en heb ik tot nu toe alleen slechts enige tomans [munteenheid] gegeven. […] Het is merkwaardig, zoals deze bahá’ís zich hebben laten doden: als echte martelaars, zonder enige vrees en zonder een enkel woord te zeggen als alleen goed te spreken van hun godsdienst.”

Prins rapporteerde de gebeurtenissen aan de Nederlandse Consul Generaal in Teheran, die met succes de zaak aanhangig maakte bij de centrale overheid. Op 4 juni kon de consul berichten dat “ingevolge van diplomatieke zijde gedane stappen de Perzische regering beloofd heeft de herhaling van gruwelen als te Yazd zijn voorgekomen zoveel mogelijk te verhinderen.”

Prins verhuisde in 1893 voor de firma Hotz naar Teheran, maar opende een paar jaar later zijn eigen winkel in Europese koopwaar, het Magasin Hollandais. In 1902 trouwde hij in Amsterdam met zijn schoonzus, de onderwijzeres Johanna Adriana Goudkade (1875-1967). Het paar kreeg vier dochters, die allen te Teheran werden geboren. Hun winkel was jarenlang de enige Nederlandse onderneming in de stad. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Prins in 1925 werd benoemd tot honorair (onbetaald) consul. In 1936 keerde hij om gezondheidsredenen naar Nederland terug. Toen hij enkele maanden later te Den Haag overleed haalde dat in Teheran de kranten.

De bahá’ís vergaten Prins evenmin. Zo noteerde Wagenvoort in 1905 over zijn bezoek aan hen in zijn journaal: “Een even aangenaam moment was het, toen een, een Yezdi, horende dat ik een Hollander was, vertelde van een Hollander, die twaalf jaar geleden bij de vervolgingen en moorden der baha’is in Yazd — er zijn daar velen en ze worden telkens vervolgd: vorig jaar nog — zeer hartelijk en moedig tegenover de Perzische overheid hun partij had gekozen, en vrouwen en kinderen in zijn huis had opgenomen om hen tegen de woede van het gepeupel te beschermen. En op mijn navraag hoe zijn naam was bleek het Prins te zijn, een door en door goed en beminnelijk man inderdaad.”

Prins humanitaire daden worden zelfs vermeld in de Bahá’í Heilige Tekst. Bahá’u’lláh:

“O Verdwaalden, welke zonde hebben deze kleine kinderen begaan? Heeft er iemand, in deze dagen, medelijden gehad met de afhankelijken der onderdrukten? Er heeft Ons verslag bereikt dat de volgelingen van de Geest (Christus) — moge de vrede Gods en Zijn genade op Hem rusten — hen heimelijk levensmiddelen zonden en hen uit zuivere naastenliefde vriendschap betoonden. Wij smeken God, de Eeuwige Waarheid,  allen te bevestigen in het bereiken van dat wat Hem behaagt.” (Bahá'u'lláh, Tafel aan The Times)

Straat in Teheran c.1900

Straat in Teheran c.1900

Jelle de Vries: The Babi Question You Mentioned ... ; The Origins of the Bahá'í Community of the Netherlands, 1844-1962. - Leuven 2002

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis