Georg Hardegg en zijn kolonie

Der Herr ist nahe - 1871

Vanaf 1869 ontstaat er bij Haifa aan de voet van de berg Karmel een nederzetting van Duitse immigranten. Leider van deze kolonie van zogenoemde ‘Tempelbouwers’ is Georg David Hardegg.

Hardegg wordt in 1812 geboren te Ludwigsburg in het vorstendom Württemberg. Na het gymnasium gaat hij in 1832 in Tübingen geneeskunde studeren. Althans dat is het plan, want nog datzelfde jaar wordt hij gevangengezet wegens betrokkenheid bij een republikeinse couppoging. Als hij in 1840 vrij komt is dat op voorwaarde dat hij uit Württemberg vertrekt. Hij gaat naar Zwitserland en trouwt daar.

Zijn geloof in een betere toekomst voor Duitsland blijft ongebroken, maar onder invloed van de theoloog Christoph Hoffmann komt hij tot het besef dat de noodzakelijke sociale hervormingen een godsdienstige grondslag moeten hebben. De mensheid, zo propageert Hoffmann, kan slechts worden gered als zij bereid is ‘levende bouwstenen’ te worden voor de ‘Tempel’ — de zuiver christelijke gemeente die in het Heilige Land de terugkeer van Christus zal bespoedigen. Hij verwijst daarbij naar de Openbaring van Johannes 11. In 1854 richten Hoffmann, Hardegg en hun ‘Vrienden van Jeruzalem’ (Freunden Jerusalems) een petitie tot de Duitse Bondsraad waarin deze wordt verzocht om namens hen bij de Ottomaanse Regering te vragen om akkergrond en bescherming in het Heilige Land. Als de petitie wordt afgewezen, besluit men om bij wijze van proef voorlopig de ideale gemeente, de Tempel, in Duitsland zèlf te vestigen. En zo verhuizen Hoffmann en Hardegg in 1856 met een deel van hun achterban naar Kirschenhardthof.

Ondertussen wordt geld ingezameld om Hoffmann, Hardegg en Joseph Bubeck, een gediplomeerde wijnboer, als ‘verspieders’ naar het Heilige Land te sturen om ter plekke de mogelijkheden tot vestiging te onderzoeken. In 1858 vertrekken de drie. Bij terugkomst, zes maanden later, rapporteren zij ‘dat het land weliswaar goed is, maar dat men daar slechts als een georganiseerd volk, dat net als Israel zijn heiligdom en regering meebrengt, kan bestaan.’

Daarom, maar ook omdat Hoffman uit de Evangelische Staatskerk van Württemberg wordt gezet, besluiten de Vrienden van Jeruzalem in 1861 om zich te organiseren in een religieus genootschap onder de naam ‘Duitse Tempel’ (Deutscher Tempel). Het ledental groeit tot zo’n 3.000 ‘Tempelbouwers’ (Templers). Als in 1866 de oorlog tussen Pruisen en de Duitse Bond uitbreekt, menen de Tempelbouwers dat het einde van de wereld nabij is. Een aantal gezinnen pakt hun draagbare bezittingen bijeen en vlucht naar Palestina, maar ziekte en ontbering doen hen terugkeren.

Ondanks deze tegenslag blijft het geloof in het ideaal in stand en in 1868 wordt besloten om Hoffmann en Hardegg nogmaals, maar nu met hun gezinnen, als kwartiermakers vooruit te zenden. En zo komt het gezelschap in de nacht van 30 oktober — slechts enkele maanden na Bahá’u’lláh — vanuit Beirut aan op de rede van Haifa. De eerste maanden verblijft men in twee gehuurde woningen binnen de muren van Haifa en koopt men (via inheemse tussenpersonen) land ten westen van de stad. Het is trouwens op aanraden van de Duitse consul in Beirut dat voor Haifa wordt gekozen: er wonen daar al enkele oriëntaalse christenen, het klimaat is er relatief koel en in geval van nood kan er (maritieme) steun vanuit zee worden geboden. Een kolonie in Haifa zou een goed ‘ontvangst-station’ voor toekomstige immigranten kunnen worden.

Samen met geloofsgenoot Jacob Schumacher (1825-1891), een tot Amerikaan genaturaliseerde Württemberger die zich begin 1869 met zijn gezin vanuit Ohio bij de kolonisten voegt, maakt Hardegg een bouwplan voor de kolonie: zandstenen huizen met rode pannen daken, een tuin rondom en gelegen aan een rechte 30 meter brede straat met aan weerszijden bomen — kortom een voor die tijd en regio opvallende architectuur en plattegrond. Op 23 september kan de eerste steen worden gelegd voor het ‘Gemeenschapshuis’ (Gemeindehaus) — het eerste bouwproject van de Tempelbouwers in het Heilige Land. Hoffmann en zijn gezin vestigen zich ondertussen in Jaffa.

Al kort na aankomst in Haifa, komt Georg Hardegg in contact met daar wonende Perzische bahá’ís. Aan zijn geloofsgenoten in Württemberg schrijft hij: — ‘In de stad Haifa nabij de Karmel leven enkele Perzen die hun brood verdienen als metaal- en houtbewerkers. Zij vallen op door hun open en vriendelijke gezichten en hun Perzische kledij. Zij zijn leden van een Perzische sekte, welks leider en leden, samen met hun vrouwen, kinderen en bedienden, tezamen zo’n 80 zielen, door de Ottomaanse Regering worden vastgehouden in Akka, drie uur van hier. Er ontwikkelde zich een vriendschap tussen mij en deze Perzen in Haifa en ik kreeg, in de loop van onze gesprekken de indruk dat deze mensen, ondanks alle eigenaardigheden van hun kennis, de waarheid zochten.’ —

Om ‘nauwkeuriger geïnformeerd te zijn’ probeert Hardegger een onderhoud met Bahá’u’lláh te verkrijgen. Op 2 juni 1871 heeft hij in Akka voor het eerst, via een tolk, een gesprek met ‘Abdu’l-Bahá. — ‘Ik begon met tegen ‘Abbás Effendi te zeggen dat als mijn gesprek met hem moeilijkheden met de autoriteiten zou opleveren, ik het aan zijn discretie zou overlaten om te stoppen. Daarop antwoordde hij: “In het Perzisch is er een gezegde: voorbij zwart is er geen andere kleur”, d.w.z. na zoveel leed kan het nauwelijks slechter. Dit nu is zijn verhaal: …” —

Daarna beschrijft Hardegg voor zijn lezers in het kort de Bahá’í-geschiedenis en sluit hij af met — ‘de hoop en verwachting dat de Duitse Keizer als opvolger van Charlemagne en Frederick de Grote van Pruisen zijn invloed in het Oosten zal uitbreiden en doen gevoelen ten gunste van rechtvaardigheid en vrijheid van geweten.’ —

Een dag later schrijft ook Schumacher over de bahá’ís: — ‘Dhr. Hardegg heeft er reeds aanzienlijke tijd en moeite in gestoken om te proberen de eigenlijke basis van hun overtuiging te achterhalen, en hij onderhield zich gisteren nog via een tolk met hen. Hij heeft ontdekt dat deze mensen zich baseren op de Heilige Schrift en, net als wij, het uur van Verlossing in God’s Koninkrijk verwachten. […] Deze mensen hebben de beproevingen en martelingen van de eerste christenen doorstaan, hebben geen contact met enig Europees zendingsgenootschap en leven onbezoedeld door Europese invloeden hun eenvoudige Bijbelse geloof. […] Welke duidelijke tekenen des tijds mogen wij niet meemaken, en wat moet er nog komen om ons te laten inzien hoe laat het is? Voegen wij anderzijds nog de gebeurtenissen in Parijs daarbij [de bloedige onderdrukking van de Parijse Commune na de Frans-Pruisische oorlog], en niemand zal nog ontkennen dat het Einde der Tijden (der Vollendung) snel nadert.’ —

Hardegg krijgt dus geen onderhoud met Bahá’u’lláh en het is misschien daarom dat hij Hem later dat jaar een brief zendt. Ergens tussen eind 1871 en begin 1872 ontvangt Hardegg van Bahá’u’lláh schriftelijk antwoord. Deze zogenoemde ‘Tafel aan Hardegg’ (Lawh-i-Hartek) is in het Arabisch gesteld en de tempelbouwer is daarom afhankelijk van derden om de tekst te kunnen lezen. De eveneens uit Württemberg afkomstige Johannes (John) Zeller (1830-1902), zendeling van de Britse Church Missionary Society in Nazareth, vertaalt de brief voor hem. Op 8 juli 1872 is Zeller’s vertaling in ieder geval klaar, want dan zendt Zeller een kopie van die vertaling naar de Society in Engeland. In een begeleidende brief schrijft hij: — ‘Het origineel is geschreven in het Arabisch met veelvuldig gebruik van rijm, hetgeen de betekenis enigszins verduistert en in een letterlijke vertaling niet kan worden overgebracht. […] Hoewel Bahá’u’lláh zeer goed weet hoe Hij bijbelse taal en verwijzingen en geestelijke ideeën moet gebruiken […] is het uit deze brief niettemin duidelijk dat Hij uitsluitend voor Zichzelf goddelijk gezag opeist.’ —

Het is niet bekend hoe Bahá’u’lláh’s woorden bij de tempelbouwers aankwamen. Maar vast staat dat Hardegg in datzelfde jaar opnieuw probeert om de Auteur te ontmoeten. Erkent hij Diens claim? Wil hij uitleg? Is dit een nieuwe poging om de Perzen, via hun Leider, te bekeren? … Hoe het ook zij, Hardegg vraagt zijn landgenoot de zendeling Jacob (James) Huber (1826-1893) uit Nazareth om als tolk met hem mee te gaan. Die aarzelt en vraagt aan zijn collega Zeller of dit wel een goed idee is. Huber: — ‘Ik informeerde dhr. Zeller daarover, en hij was ook van mening dat dit wel interessant was, en zei mij te gaan. Vanuit Haifa waar wij in de vroege ochtend vertrokken, kwamen wij om acht uur in Akka aan. Wij gingen met een rijtuig van de Duitse kolonisten en dat is een grote verbetering en een genoegen voor een ieder die het geestelijke en het vergankelijke welzijn van dit land beoogd. Nadat wij even hadden gerust, gingen wij naar het huis waar Bahá’u’lláh en zijn zoon Abbas Effendi wonen en door enige Turkse politiemannen worden bewaakt [het Huis van ‘Udi Khammár].’ —

Zij worden ontvangen door ‘Abdu’l-Bahá en spreken met hem — ‘over de betreurenswaardige staat van de gevallen mensheid; de noodzaak van een Verlosser; en hoe het onze plicht is om iets voor onze eigen verlossing te doen, en voor die van onze medemens; vooral zij die als hoofden van een religieuze sekte worden beschouwd dienen hun tijd aldus te besteden’, — zo schrijft Huber. Maar toestemming voor een onderhoud met Bahá’u’lláh krijgen zij niet.

Omstreeks 1875 schrijft Bahá’u’lláh aan Hájí Mírzá Haydar-‘Alí, een bahá’í die in het Heilige Land woont, over de reden: — ‘Enige jaren geleden wenste hun leider [Hardegg] Mijn tegenwoordigheid te bereiken, maar dat verzoek vond geen goedkeuring in het Heiligste Hof. Niettemin werd er speciaal voor hem een verheven en allerheiligste Tafel neergezonden. In die Tafel was datgene vastgelegd wat iedere rechtvaardige in staat stelt om verlossing te bereiken en iedere zoekende zijn doel. Toch was de bevestiging van de woorden “Laat niemand het aanraken, behalve zij die zuiver zijn” duidelijk, want zij begrepen zelfs geen druppel van de oceaan van haar betekenissen.’ — Een tragische conclusie, temeer daar Hardegg in 1864 in de ‘Zuid-Duitsche Schildwacht’ (Süddeutsche Warte), de krant van de Tempelbouwers, nog had voorspelt ‘dat er tot aan de Tweede Komst van Jezus geen tien jaren meer [zouden] verstrijken.’

Onder Hardegg’s leiding ontwikkelt de kolonie in Haifa zich tot de grootste en welvarendste van de in totaal zeven die de Tempelbouwers in het Heilige Land zullen stichten. Men voorziet in het levensonderhoud door wijn-en akkerbouw, krijgt de beschikking over een stoom-aangedreven graanmolen en olijvenpers, bouwt een zeepfabriek, en beheert een apotheek, een school en koets-verbindingen naar Akka en Nazareth.

Maar mede door dit succes onttrekt Hardegg zich steeds meer aan Hoffmann’s (theologische) leiding en in 1874 komt het tot een breuk. Hardegg en zijn medestanders, zo’n 100 personen (ongeveer een derde van de kolonisten in Haifa) worden afgesneden van verdere financiële steun uit Duitsland en komen er alleen voor te staan. Hoewel hun vraag om hulp bij andere protestantse kerken, zoals de Britse Church Missionary Society in Nazareth, te vergeefs is, slagen zij er toch in om in Haifa te blijven wonen.

Hardegg leidt vanaf die tijd een teruggetrokken bestaan. Een ooggetuige schrijft over die jaren: — ‘In de koele ruimte van de arcade, onder de bogen, of op de weg die naar het strand leidde, zag ik vaak een grijsaard van ongeveer 60 jaar oud met een Turkse pijp in de hand in gepeins verzonken zitten of heen en weer lopen. Zware lotgevallen hadden zijn haar en baard vroeg gebleekt. [...] Zijn levenswerk lag voltooid achter hem. Als hij op het overdekte balkon zat, keek hij lang en graag over de zee uit. Zocht hij in die onaardse verte iets wat hem in het leven niet was gegeven — de volksmassa die zijn oproep had moeten volgen, de overvloed aan hemelse gaven wier uitstorting niet aan zijn verwachtingen had voldaan?’ — Als Georg David Hardegg op 10 juli 1879 in zijn woning in Haifa overlijdt wordt hij begraven onder een kruis met het opschrift: ‘Vrees God en bewijs Hem eer (Openbaring 14.7).’

De Duitse kolonies dragen in de loop der jaren veel bij aan de ontwikkeling van het Heilige Land, maar in 1914 komt de terugslag: bij het uitbreken van de ‘Grote Oorlog’ gaan de ‘vreedzame kruisvaarders’ zich mengen in de politiek en treden zij in militaire dienst voor hun vaderland. Dat maakt hen voor de Britten tot een bedreiging. Naarmate Britse troepen vanuit Egypte verder in Palestina oprukken worden de zuidelijk gelegen kolonies door hen bezet en de bewoners ervan naar een interneringskamp nabij Cairo overgebracht. De kolonisten in Haifa blijft dit lot bespaard, omdat met de inname van Haifa (september 1918) de oorlog in Palestina in feite voorbij is.

In 1921 mogen de bannelingen weliswaar terugkeren en hun leven hervatten, maar in de aanloop tot de Tweede Wereldoorlog herhalen de gebeurtenissen zich: veel Tempelbouwers worden lid van de Nazi Partij en nemen dienst in de Wehrmacht, anderen worden door de Britten achter prikkeldraad opgesloten in hun eigen kolonies en later gedeporteerd naar Australië.

Na de oorlog is hun rol uitgespeeld. De Zionistische opstand tegen het Britse bestuur richt zich ook op de overgebleven Duitsers; er vallen doden. En in 1948 evacueren de Britten de Tempelbouwers naar een kamp op Cyprus. Zij die te oud of te zwak zijn - zo’n 25 personen — worden ondergebracht in een klooster te Jeruzalem, maar in 1950 moeten ook die op last van de nieuwe Israëlische regering het Heilige Land verlaten.

Georg Hardegg

Haifa 1872

Georg Hardegg

De kolonie van de Duitse Tempelbouwers te Haifa - 1877

Georg Hardegg

Georg David Hardegg (1812-1879)

Duitse kolonie in Haifa 1875

Haifa c.1930

Georg Hardegg

De Duitse kolonie gezien vanaf de Bahá’í-tuinen

Baha'u'llah's Tafel aan Hardegg

(Ongeautoriseerde vertaling van de Engelse versies van J. Zeller en S. Lambden)

In de naam van God, de Allerheiligste.

— O verheven leraar! Uw verzegelde brief aan deze Verguisde is aangekomen. Wij vingen daarvan de geur op van uw oprechtheid jegens God, de Almachtige, de Al-beschermer. Wij smeken God dat Hij u moge informeren over hetgeen verborgen is in deze Tafel; en u in staat zal stellen om te luisteren naar het geritsel van het gebladerte van de Boom van Kennis en het gekabbel van het Water des Levens dat met wijsheid en uitleg opwelt uit de bron van de Wil van de Koning van Bestaan.

— O vriend! Het is uw eerste plicht om het Woord van God te overdenken; de voortreffelijkheid en zoetheid ervan is alle werelden voldoende. De eerste [Petrus] van hen die geloofden in de Geest [Jezus] werd gegrepen door het Woord van zijn Heer en bekeerde zich erdoor en geloofde, onthecht van al wat de mensen bezitten. Een dergelijk handelen is de plicht van de vissen der Grootste Oceaan.

— O gij geleerde, ervaren en scherpziende leraar! Weet dat lage begeerten de meeste stervelingen ervan weerhielden om God, de Koning van Namen, te naderen. Zij echter, die willen zien, nemen het licht waar, getuigen ervan en roepen uit: ‘Geprezen zij de Heer, de Allerhoogste!’ Land en zee verheugden zich over de Barmhartigheid van God. Hij heeft de Trooster beloofd. Hij waarlijk bouwt de tempel. Gezegend zijn zij die dat kunnen bevatten. Toen de bestemde tijd aanbrak barstte Carmel in vreugde uit alsof zij bewogen werd door de zachte bries van de Heer. Gezegend zijn zij die er acht op slaan. Hij die zijn oor te luisteren legt hoort de roep van de Rots. Zij getuigt met luide stem van de eeuwige God. Gezegend zijn zij die deze zekere kennis vinden, het Koninkrijk binnengaan en onthecht zijn van deze vergankelijke wereld! Als dát verschijnt wat in de Heilige Boeken staat geschreven, zullen de mensen zien, maar niet begrijpen.

— O vriend! Overdenk het mysterie van ommekeer in de rang van leiderschap, waardoor de verhevene wordt vernederd en de vernederde wordt verheven. Herinner u hoe Jezus, toen Hij verscheen, werd afgewezen door de geestelijken, de geleerden en de geschoolden; en hoe vissers het Koninkrijk van God beërfden. Aldus werd vervuld hetgeen was voorspeld in vage bewoordingen en toespelingen.

— De Zaak is groot en belangrijk! Peter de Apostel hield, ondanks zijn voortreffelijkheid en de verhevenheid van zijn rang, zijn mond toen hem ernaar werd gevraagd. Als u dat wat tot nu toe is voorgevallen louter zou beschouwen terwille van de Heer, dan zou u Zijn Licht zien stralen voor uw aangezicht. De Waarheid is te duidelijk om door sluiers te worden bedekt, de Weg te open om door hindernissen te worden verborgen en de Zekerheid te helder om door twijfels te worden verduisterd. Zij die dwalen, zijn zij die hun lusten hebben gevolgd en nu sluimeren en slapen. Ze zullen ontwaken en rond rennen, maar geen plek vinden om zich te verstoppen. Gezegend zijn zij die kennis opdoen, en dan ontwaken, opdat zij moge bereiken hetgeen de oprechte dienaren hebben bereikt.

— Weet dat Wij reeds de contouren van de letter S van het woord ‘Sulh’ (Vrede) zagen. Zij was waarlijk versierd met het ornament van de rechtopstaande letter A en is wat zeker werd vermeld in een open Tafel. En op het verschijnen van de lichtstralen van dat Goddelijke Woord, werd de Poort van de Hemel geopend en kwam het Koninkrijk van Namen tevoorschijn. En deze zaak werd voltooid door de letter H, waarna deze werd verenigd met de liggende letter A die was versierd met de Punt (van de letter B) van waaruit de Gekoesterde Naam, het Verborgen Mysterie, het Goed Bewaarde Symbool (Bahá ) ontstond. Hij is waarlijk het Punt van waaruit het bestaan is voortgekomen en waartoe het zal terugkeren.

— Toen zagen wij het Woord dat een woord sprak dat elke gemeenschap hoorde naar haar eigen uitspraak en taal. Toen dat woord werd uitgesproken, verscheen er een Zon aan de Kim van zijn Aankondiging, waarvan het licht de zon van de hemel overtrof. Zij zei, ‘Het hoofd van de zeventig is versierd met de kroon van de veertig en verenigd met de zeven vóór de tien.’ Toen weeklaagde Zij en sprak: ‘Wat zie ik? Het huis herkent zijn heer niet, en de zoon slaat geen acht op zijn vader; en evenmin is de hoopvolle zoeker bekend met zijn toevluchtsoord en schuilplaats.’

— O gij vogel in de hemel der kennis! Hij die weet hoe het vloeibare vast wordt, hij die het stille geluk kent, de geheime zekerheid, en de verborgen dageraad, hij zal de Goddelijke Lichtstralen zodanig in zich opnemen dat hij op vleugels van verlangen zal opstijgen in de sferen van nabijheid, heiligheid en hereniging.

— Wat u, geleerde heer, hebt genoemd over de duisternis van onwetendheid, wordt door ons bevestigd; want die omhult de slapenden. Gezegend is hij die aan de horizon de lichtstralen ontwaart van de ochtend van de genade van de Allerheiligste Heer. Deze duisternis is de ijdele inbeelding van de slapenden, die daardoor worden weerhouden om zich naar het Koninkrijk te begeven toen de Koning van het Goddelijke Rijk verscheen met de Zaak van God.

— Wij zijn het geheel eens met uw woorden betreffende de Geest [Jezus] en zien dat er tussen ons geen verschil bestaat. De Geest is te zuiver om door verschillen te worden bezocht, en evenmin kan Hij door uiterlijke kenmerken worden begrepen, want Hij is de verschijning van het Licht van Eenheid onder de mensen en het Teken van de Aloude der Dagen onder de volkeren. Hij die Hem aanvaardt, aanvaardt Hem Die Hem gezonden heeft, en hij die Hem afwijst, wijst Hem af uit Wie Hij voortkwam. Hij is Wie Hij is en zal blijven Wie Hij was, maar Zijn lichtstralen verschillen naar de zuiverheid van de spiegels en naar hun verschillende vormen en kleuren.

— O vriend! Zou slechts een hint van het geheim dat in mysteriën werd verborgen worden onthuld, dan zou het hart van hen die zich vastklampen aan wat zij bezitten en verwerpen wat van God komt, in verwarring geraken. Als u, geachte heer, zou nadenken over wat Wij voor u hebben uiteengezet en opstaan volgens dat wat met de grootste stelligheid werd genoemd, dan zal door u gebeuren wat vanouds gebeurde.

— O vriend! Deze Vogel is gevangen in de klauwen van onderdrukking en schijnheiligheid, en vindt geen nest waarin Hij zou kunnen rusten, noch een plek waar Hij naartoe zou kunnen vliegen. In deze omstandigheden roept Hij de mensheid op tot het eeuwige leven. Gezegend is het oor dat hoort en het oog dat ziet! Wij vragen God dat Hij ons zal samenbrengen in dezelfde plaats en ons zal geven wat Hem welgevallig is.

*

 

Bronnen — Adib Taherzadeh: The Revelation of Bahá’u’lláh, ‘Akká, The Early Years 1868-77 — volume III — Oxford 2004 (1983); Moojan Momen: The Bábí and Bahá’í Religions 1844 - 1944; Some Contemporary Western Accounts — Oxford 1981 - 216; Bahá’u’lláh’s Tablet to Hardegg - Translation by S. Lambden - Irfancolloquia; G.D. Hardegg: Das Ewige Evangelium oder die Mittel zur Lösung der socialen Frage; Versuch eines Programms für die Freunde Jerisalems in Europa, Asien und Amerika — Stuttgart 1866; 'De Vreedzame Kruisvaarders' in: Het Nieuws van den Dag van 2 januari 1876; [In memoriam G.D. Hardegg] in: Algemeen Handelsblad van 31 juli 1879; Raffi Berg: The Templers; German settlers who left their mark on Palestine — BBC news 12 July 2013; Jakob Eisler: Die Württembergischen Templer in: Württembergische Kirchengeschichte; Carolyn Sparey Fox: Seeking a State of Heaven, The German Templers — Oxford 2018; Jörg Klingbeil: Von Konstantinopel nach Haifa - Der Aufbruch ins Heilige Land vor 150 Jahren (Teil 3) In: Die Warte des Tempels, Monatsschrift für offenes Christentum Ausgabe 174/10 - Oktober 2018; Ruth Kark en Seth J. Frantzman: Consuls, Demography and Land in Palestine: German-Americans in the Haifa Templer Colony. In: Zeitschrift des Deutschen Palastina-Vereins - januari 2010; Helmut Ruff: Aus der Jugendzeit eines alten Templers; Gottlieb Samuel Ruff (1890-1983). In: Die Warte des Tempels - 2010; Fritz Barth: German Colony in Haifa 1877. Bad Wildbad - April 2004; Joachim Bauer: Ein Revolutionär mit zwei Anläufen; Georg David Hardegg aus Eglosheim (1812-1879). In: Ludwigsburger Geschichtsblätter - 2000.

Lees ook: Terugkeer naar het Heilige Land

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht