Khadijih Bagum, echtgenoot van de Bab

Khadijih

Toegang tot de binnenplaats van het huis van de Báb

In de woorden van Munírih Khánum

Bij aankomst in Shiraz [1872] gingen wij naar een aangename caravanserai. In de avond kwamen de Afnán [de familieleden van de Báb] en die brachten ons naar het huis van de oom van de Báb, Hájí Mírzá Siyyid Muhammad, en daar overnachtten wij. […]
De volgende ochtend kwam de vrouw van de Báb ons welkom heten. Zij leek wel de maagd Maria of Fátimih Zahrá. Zij nodigde ons uit in haar huis en wij vergezelden haar daarnaartoe. Haar huis was dat van de oudere oom van de Báb, Jináb-i Hájí Mírzá Siyyid ‘Alí, die later [1850] een van de zeven martelaren van Teheran zou worden. Dit huis lag naast dat waarin de Báb werd geboren. Een van de kamers van het huis was afgesloten [— de kamer waar de Báb in 1844 aan Mullá Husayn Zijn zending had verkondigd]. Niemand ging die ooit binnen. Maar de deur werd toch geopend en wij traden binnen en hadden de eer daarin een uur te verblijven. […] Van hieruit keerden wij terug naar het huis waar zij [de vrouw van de Báb] woonde, het huis van de oom van de Báb.

Toen ik daar was zei ik tegen de vrouw van de Báb: […] ik verzoek u om ons over u leven te vertellen, en over uw ontmoeting met de Báb, en uw huwelijk met Hem. Zij zei: — ‘Ik kan mij niet alles meer herinneren, maar omwille van uw verzoek zal ik alles vertellen wat ik mij wel kan herinneren. […] Wij waren met drie zussen. Op een nacht droomde ik dat Fátimih Zahrá naar ons huis was gekomen om voor te stellen dat een van ons drieën haar zoon zou huwen. […]
Op diezelfde dag omstreeks twaalf uur in de middag kwam de Báb’s moeder naar ons huis. Mijn zus en ik gingen haar begroeten zoals wij dat hadden gedaan in mijn droom. Zij stond op, kuste mij op het voorhoofd en hield me in haar armen. Daarna vertrok zij. Mijn oudere zus vertelde me dat zij was gekomen om mijn hand te vragen. […] Na een paar dagen werd de verbintenis besproken en werden er geschenken gezonden voor de verloving. De Báb en zijn oom vertrokken in die tijd voor zaken naar Búshihr. […]
Hij keerde na enige tijd uit Búshihr terug en Zijn oom organiseerde de huwelijksplechtigheid. Het huwelijk werd voltrokken. Ik was volkomen onthecht aan stoffelijke zaken en mijn hart werd slechts door Hem aangetrokken. Ik kon aan Zijn gedrag, Zijn woorden, Zijn rust en waardigheid zien dat Hij een groot persoon was. Maar ik dacht er nooit aan dat Hij de Beloofde, de Qa’im was. Hij bracht Zijn meeste tijd door in gebed en meditatie. In de avonden vroeg Hij, zoals dat gebruikelijk was onder kooplieden, om Zijn papieren en kasboek, maar ik zag dat die niet Zijn boekhouding waren. Ik vroeg soms: ‘‘Wat zijn dit voor papieren?’’ Hij glimlachte dan en antwoordde: ‘‘Dit zijn de kasboeken van de volkeren der wereld.’’ Als er een onverwachte gast kwam, bedekte Hij de papieren met een doek.
Alle vrienden en verwanten, zoals ooms en tantes waren overtuigd van Zijn grootheid en betoonden Hem groot respect. Dat bleef zo tot de avond van 22 mei 1844. Dat was de nacht dat de Bábu’l-Báb [de poort tot de Poort, Mullá Husayn] bij Hem op bezoek kwam en Zijn zending erkende.
Wat een buitengewone nacht was dat! De Báb zei tegen mij: ‘‘Vanavond krijgen wij een geëerde gast op bezoek.’’ Zijn hele wezen stond in vuur en vlam. Ik was erg benieuwd naar wat Hij te zeggen had, maar Hij draaide zich naar mij om en zei: ‘‘Het is beter als je gaat slapen.’’ Ik wilde Hem niet ongehoorzaam zijn, maar ik bleef de hele nacht wakker en kon tot in de ochtend Zijn stem horen; in gesprek met de Bábu’l-Báb, verzen voordragend en bewijzen en argumenten gevend.’ —

Van 1844 tot mei 1845 gaat de Báb op pelgrimsreis naar Mekka. Na terugkomst in Shiraz wordt Hij op 23 september 1846 gearresteerd. Khadíjih-Bagum daarover: — ‘Op een nacht toen wij sliepen kwamen plotseling de commissaris van politie, de vervloekte ‘Abdu’l-Hamid Khan, en zijn mannen via het dak ons huis binnen en arresteerden de Báb; die was slechts gekleed in een dun gewaad. Zij namen Hem zonder enige uitleg mee. En ik zag Hem nooit meer terug.’ —

Khadíjih Bagum, de vrouw van de Báb, overleed op 15 september 1882 in het huis van haar Echtgenoot te Shiraz.

Khádíjih

Binnenplaats van het huis van de Báb

Bronnen - Munírih Khánum: Memoirs and Letters — Los Angeles 1986; H.M. Balyuzi: Khadijih Bagum, The Wife of the Báb — Oxford 1981

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht