Maurits Wagenvoort - De geboorte van een godsdienst

Maurits Wagenvoort

Maurits Wagenvoort

Mede naar aanleiding van zijn verblijf in Perzië - oktober 1904 t/m mei 1905 - met het doel ‘om daar de Bábís te ontmoeten’, publiceert Maurits Wagenvoort in 1906 in het tijdschrift Nederland - Verzameling van oorspronkelijke bijdragen door Nederlandsche Letterkundigen, een uitvoerig artikel over ‘De geboorte van een godsdienst’. Datzelfde artikel zal een jaar later als hoofdstuk worden opgenomen in zijn reisverslag Van Madrid naar Teheran. Wagenvoort geeft daarin niet alleen zijn eigen (atheïstische) visie op de ontstaansgeschiedenis van de Bábí-Bahá’í religie, maar deelt de lezer ook het een en ander mee over de huidige stand van zaken:

— […] De Bahá’ís, die heden de eigenlijke Bábís zijn, [hebben] hun geloof krachtig door Perzië verspreid, niet enkel [daar], maar ook door Indië, door Noord-Amerika, waar vele en talrijke Bábí-gemeenten van vroegere Christenen zijn ontstaan, naar Parijs en Londen. Steeds wanneer thans over de Perzische Bábís wordt gesproken, bedoelt men de Bahá’ís.

Bahá’u’lláh stierf in 1892, en werd als algemeen hoofd opgevolgd door zijn zoon Abbas Effendi, die thans in Akka leeft, en een betrekkelijke vrijheid geniet, wijl invloedrijke westerlingen uit Amerika of uit Engeland het oog er op houden, dat hij door de Turkse en Perzische overheid ongemoeid wordt gelaten. Men beschrijft Abbas Effendi, over wie de Bahá’ís niet anders dan in termen van de grootste eerbied, zij ’t dan ook met Perzische overdrijving, spreken, als een indrukwekkende grijsaard, die van zijn jeugd af een leven voorbeeldig van zelfverloochening, geduld, goedheid en wijsheid heeft geleefd. In Akka is hij de geestelijke gebieder van Bahá’í, Christen, Jood en Muzelman, en ofschoon van de laatste dan niet allen zijn leer aanvaarden, wel allen buigen zich voor zijn karakter. […]

Het nieuwe geloof heeft wortel geschoten door geheel Perzië: prinsen aan het hof van de Sjah, zowel als de geringste watersjouwers in de Bazaar, bekennen zich thans, schoon dan nog in ’t geheim, als aanhangers ervan, het is niet meer tegen te gaan, integendeel: het wordt iedere dag sterker. Het wint zijn fanatiekste tegenstanders, zodra deze zich een ogenblik gunnen om er over na te denken of er met de aanhangers over te spreken. Van alle Perzische steden is Yazd de fanatiekste: in Yazd is het meeste martelaarsbloed gestort, en nog is het er niet gedroogd. Maar ook in Yazd, in de kringen der fanatiekste mullahs, heeft het nieuwe geloof zijn geestdriftigste en ijverigste aanhangers gevonden. […]

In Perzië wordt heden door de Bahá’ís het getal hunner geloofsgenoten geschat op een tiende van de huiszittende bevolking, wat in grove berekening 700.000 man zou kunnen zijn. Gedurende mijn verblijf te Teheran, en mijn reis naar de Perzische Golf, heb ik, hen bij voorkeur onder de bevolking zoekende — immers om hen te leren kennen was ik zo ver gereisd — veel met hen verkeerd, en bijna zonder uitzondering beslist gunstige indrukken van hen ontvangen.

Indien de godsdienst bij de Báb ware gebleven, zou hij het heden, waarschijnlijk, niet verder gebracht hebben dan tot een kleine aanhang, hier en daar in stad en dorp van Perzië. Maar Bahá’u’lláh, “de Gezegende Volmaaktheid”, zoals hij door zijn volk werd genoemd, of hij dan de “Meester van het Uur” geweest zij of niet, was wel waarlijk de man om aan de noden, wensen, gedachten van volk en tijd het woord te verlenen, dat zij behoefden om zich van een eeuwenlange geestelijke en maatschappelijke verdrukking bevrijd te gevoelen, of althans die bevrijding aanstaande te maken.

Ik heb gezegd, dat de Bahá’ís in de toepassing van hun godsdienst het Christendom naderen, maar terwijl zij voor de Islam en zijn hedendaagse praktijk een uitgesproken afkeer koesteren, voelen zij voor het Christendom toch niets meer dan een vriendelijke gezindheid, gesproten uit de vrijwillige erkenning, dat met het Christelijk geloof gebruiken gepaard gaan, welke voor de Oosterse volken, voor de Perzen in het bijzonder, goed zou zijn te volgen. En zij zouden dat ook dadelijk en openlijk doen: hun woningen inrichten naar Europees voorbeeld — maar de hemel behoede hen nog lang voor de wansmaak, waarvan men in de paleizen der Perzische groten de treurigste voorbeelden kan zien! — de Westerse voorschriften van gezondheidsleer toepassen, en, op een hoger plan, aan hun vrouwen meerder vrijheid verlenen, zo dat zij ongesluierd zouden kunnen omgaan en zich met mannen onderhouden, hun dochters gelijk opvoeden als hun zoons, de Perzische huishouding van familie zowel als staat, kortom, hervormen naar Europees model, indien de lijdenstijd voor hen geheel voorbij ware, maar dat is bij lange na niet het geval.

Niet één Bahá’í heb ik oog in oog ontmoet, afzonderlijk, of in een ter mijner ere in Teheran gehouden algemene bijeenkomst — die toch in ‘t geheim moest worden opgeroepen — en waarop misschien honderd of meer der voornaamste Bahá’ís uit alle standen der maatschappij verschenen waren, of hij had mij de verschrikkelijkste verhalen te doen van vervolgingen en martelingen, waarvan hij zelf, of zijn ouders, of zijn vrouw en kinderen, of zijn broeders en zusters de slachtoffers waren geworden. Wat rekenden zij het zelf jarenlang met ketens aan de doorwonde enkels of om de vereelten nek in een vunzig hol geleefd te hebben? Weinig! Helemaal niets, dat zij, eens welvarende ja rijke mannen — immers de Bahá’í bevolking in Perzië behoort in alle steden tot de best-ontwikkelde en de werkzaamste — om een bete broods hadden te hunkeren. Hun ogen hadden andere duisternis gezien dan die hunner onderaardse gevangenis; zij waren van kostbaarder goed beroofd dan van geld alleen: kinderen nog, zagen zij hun vaders weggesleept of gemarteld; jongelingen, werden zijzelf door hun beulen weggevoerd en mishandeld, en dankten zij het slechts het toeval, dat zij hun vege lijf hadden behouden; mannen, zagen zij zich van hun vrouwen en kinderen gescheiden, en, zelf vastgebonden, deze vermoord, of, erger nog, vrouwen en dochters geschoffeerd, hun jonge kinderen de hersenen gepletterd tegen de straatstenen of tegen de muren. En nog leefden zij: hun lijden had hen gelouterd, hun ziel verruimd, hun geest verhoogd, hun uitzicht op dit leven en een ander verblijd, en zij konden met mij spreken op zachten, opgeruimden toon over hun godsdienst, over Perzië, over Europa, over de vragen van een onzichtbaar leven, kortom alle die goede en zeer verre dingen, waarvoor het Oosterse gemoed nimmer mat zal worden te gevoelen, waarbij het Oosterse denken nimmer zal inslapen, waarover de Oosterse mond nooit gesloten zal zijn, […]

De Bábís, een halve eeuw geleden, mogen op Perzische wijze fanatiek geweest, zijn, het zwaard getrokken om hun godsdienst te verdedigen, enkelen hunner de hand uitgestoken hebben naar het leven van Násiru’d-Dín Sháh: Muzaffaru’d-Din Sháh heeft geen trouwer en rustiger onderdanen dan de Bahá’ís. Zij weten, dat een godsdienst heden, indien er dan in de harten der mensen nog geestdrift voor een nieuwe kan groeien, hen enkel door innerlijke behoefte, door overreding, door het voorbeeld van een menslievend, wijs en onberispelijk leven, door zachtheid van aard en van zeden kan winnen. […]

Er is veel geschreven over deze opkomende godsdienst, en het vluchtige door mij er over gezegd is niet in verhouding tot de betekenis, welke hij mij toeschijnt te bezitten. Die betekenis heeft zij, meen ik, hoofdzakelijk voor Perzië, misschien ook voor Turkije, waarom niet voor geheel Azië? […]’ —

Maurits Wagenvoort

Van Madrid naar Teheran 1907

Maurits Wagenvoort

De geboorte van een godsdienst

Bronnen — Nederland - Verzameling van oorspronkelijke bijdragen door Nederlandsche Letterkundigen onder redactie van Mr. M.G.L. van Loghem, Tweede deel, p. 369-400 - Amsterdam 1906; Maurits Wagenvoort: Van Madrid naar Teheran - Amsterdam 1907.

Lees ook: Maurits Wagenvoort ontmoet bahá’ís en Wagenvoort in kleur

Ga terug naar: Nederlandse geschiedenis