Wagenvoort ontmoet baha'is

Maurits Wagenvoort

Toen de van oorsprong Amsterdamse journalist Maurits Wagenvoort (1859-1944) in het najaar van 1904 aan zijn reis naar Perzië (Iran) begon, met het speciale doel om daar bahá’ís te ontmoeten, woonden er Nederland nog geen aanhangers van deze religie. Wagenvoort had het Bahá’í-geloof dan ook leren kennen via een Frans boek en er een ‘niet aflatende nieuwsgierigheid’ voor gekregen.

Eind oktober maakte hij in Teheran zijn opwachting bij de Nederlandse Gezant, de eveneens uit Amsterdam afkomstige Frits Knobel (1857-1933). Hij trof de diplomaat op een slecht moment. Het geïsoleerde karakter van de stad en de benauwdheid van de Europese kolonie ter plaatse hadden hun tol geëist. Uit ‘geestelijk zelfbehoud’ was Knobel maar begonnen aan het schrijven van een boek: “De in het land van de Sjah vertoevende westerling bevindt zich ook heden nog in een toestand van afzondering welke bijna nergens meer gekend wordt. Geen trein, geen courant, noch tijdschrift, geen openbare orde, geen theater, geen publieke telegrammen, geen schone kunsten, geen wegen, geen kindervreugd, geen concertzaal, geen volksvermaak, geen tentoonstellingen, geen wisseling van gedachten, geen straatverlichting, geen vriendelijk venster, geen wandelingen, geen vertier, geen verkeer, geen vrouw die meetelt, of die zich zelfs vertonen mag, geen rivier, geen zee, geen water!”

Wagenvoort prees zichzelf gelukkig dat zijn sociale contacten “niet waren beperkt tot de kleine kring der Europeanen”. Toch duurde het al met al nog zo’n drie maanden voordat hij voor het eerst op bezoek kon bij bahá’ís. Maar op zondag 5 februari 1905 was het zover: in een huis in een zijstraat van de bazar werd de journalist ontvangen door Hadji Akhund (1842-1910) en Ibn Abhar (1853-1917). De ontmoeting verliep klaarblijkelijk tot wederzijdse tevredenheid, want er volgden er meer. Op één daarvan maakte een “schoonzoon van de Sjah” zelfs enkele foto’s.

Toen het voorjaar aanbrak was het tijd om afscheid te nemen. Op 30 maart noteerde Wagenvoort in zijn dagboek: “Afscheidsvisites van en aan mijn vrienden de bahá’ís met wie ik sedert een interessant gesprek heb gevoerd over de ernstige vragen van het zichtbare en onzichtbare leven. Bij het afscheid van Hadji Akhund en Ibn Abhar gaf de laatste nog enige Bahá’í-relieken van voor hem en de bahá’ís grote waarde. Een fotografie van een geschrift van Mírzá Siyyid 'Alí-Muhammad, de Báb, en een andere foto van een tekst van Bahá’u’lláh geschreven door zijn zoon Abbas Effendi [‘Abdu’l-Bahá], het tegenwoordig hoofd der Bahá’í. Bedenkende dat de bahá’ís Bahá’u’lláh op dezelfde wijze eren als christenen Jezus, is het begrijpelijk dat de goede Ibn Abhar mij deze relieken met enige ontroering ter hand stelde en ze vooraf aan zij voorhoofd drukte! En zelfs was dit niet genoeg: ik kreeg aan afdruk van het zegel van de Báb, en een ander van het zegel van Bahá’u’lláh, relieken die in de bahá’í-gemeenten van grote waarde worden geacht.”

Zowel in zijn krantencolumns als boeken sprak Wagenvoort lovend over zijn ‘bahá’í-vrienden, maar zichzelf bahá’í noemen deed hij niet. En ook zijn werk speelde in de ontwikkeling van de Nederlandse Bahá’í-gemeenschap geen aantoonbare rol. Toch zijn bahá’ís deze onderzoeker veel dank verschuldigd.

Wagenvoort bij bahá'ís in Teheran, Perzië (1905)

Wagenvoort bij bahá'ís in Teheran, Perzië (1905)

Zegelafdruk van Bahá'u'lláh

Zegelafdruk van Bahá'u'lláh

Jelle de Vries: The Babi Question You Mentioned ... ; The Origins of the Bahá'í Community of the Netherlands, 1844-1962. - Leuven 2002

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis