Aankomst in het Heilige Land

Aankomst in het Heilige Land

De cel van Bahá’u’lláh

In de woorden van Shoghi Effendi

De verbanning van niet minder dan vierentwintig jaar, waartoe twee oosterse despoten gezamenlijk in hun onverzoenlijke haat en kortzichtigheid Bahá’u’lláh hadden veroordeeld [de sjah van Perzië en de sultan van het Ottomaanse Rijk], zal de geschiedenis ingaan als een periode van miraculeuze veranderingen en algehele ommekeer in het leven en de activiteiten van de Banneling, en zal voornamelijk in de herinnering blijven door de in Zijn gehele geboorteland zo hevig oplaaiende vervolgingen die bij tussenpozen, maar dan ook bijzonder wreed, werden uitgevoerd, alsmede de gelijktijdige toename van het aantal volgelingen, en tenslotte ook door de enorme uitbreiding van het aantal en de verscheidenheid van Zijn geschriften.

Zijn aankomst in de strafkolonie Akka, die nog lang niet het einde van Zijn beproevingen betekende, was slechts het begin van een grote crisis […] In Zijn wens om de nadruk te leggen op de hachelijke toestand van de eerste negen jaar van Zijn verbanning naar die gevangenisstad, heeft Bahá’u’lláh geschreven: “Weet, dat bij Onze aankomst op deze Plek, Wij die wensten aan te duiden als de ‘Grootste Gevangenis’. Ofschoon Wij vroeger in een ander land (Teheran) in ketenen en boeien waren gekluisterd, weigerden Wij het niettemin met die naam aan te duiden. Zeg: denk erover na, O gij, die met begrip zijt begiftigd”!

Akka, het oude Ptolemais, het St. Jean d’Acre van de kruisvaarders, dat met succes de belegering van Napoleon had getrotseerd, was onder de Turken afgezakt tot het peil van een strafkolonie, waar moordenaars, struikrovers en politieke opruiers uit alle delen van het Turkse Rijk werden opgesloten. Het was omringd door een dubbele rij wallen; werd bevolkt door een soort mensen dat Bahá’u’lláh kenschetste als “het geslacht van adders”; was verstoken van ook maar één waterbron binnen zijn muren; was vergeven van vlooien, vochtig, en doorkruist met donkere, vuile en kronkelige stegen. De Verheven Pen heeft in de Lawh-i-Sultán [Brief aan de Sultan] opgetekend, “Naar wat men zegt, is dit de meest troosteloze stad ter wereld, met de onooglijkste aanblik, het afschuwelijkste klimaat en het smerigste water. Het lijkt wel of dit het woongebied van de uil is”. Volgens een spreekwoord was de lucht er zo verpest, dat de vogels die er overheen vlogen, dood neervielen.

De sultan en zijn ministers hadden uitdrukkelijke orders gegeven om de bannelingen die ervan werden beschuldigd ernstig te hebben gedwaald en anderen op de verkeerde weg te hebben gebracht, aan de strengste afzondering te onderwerpen. Men sprak in het volste vertrouwen de hoop uit dat de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf tenslotte zou leiden tot hun algehele vernietiging. De farmán [bevel] van Sultan ‘Abdu’l-Azíz, […] veroordeelde hen niet alleen tot levenslange ballingschap, maar stelde hun strikte opsluiting vast en verbood hun om zowel met elkaar als met de plaatselijke bewoners om te gaan. De tekst van de farmán werd spoedig na aankomst van de bannelingen in de voornaamste moskee van de stad in het openbaar voorgelezen als een waarschuwing aan de bevolking. […]

Toen alle bannelingen, mannen, vrouwen en kinderen, na een ellendige reis in Akka van boord gingen, werden zij onder de ogen van een nieuwsgierige en ongeëmotioneerde bevolking die zich bij de haven had verzameld om de “God der Perzen” te aanschouwen, naar de kazerne gevoerd, waar zij werden opgesloten en waar schildwachten werden opgesteld om hen te bewaken. Bahá’u’lláh getuigt in de Lawh-i-Ra’ís: “De eerste nacht werd ons allen eten en drinken onthouden … Men smeekte om slechts wat water, maar het werd geweigerd”. Het water in het bassin op de binnenplaats was zo vuil en brak, dat niemand het kon drinken. Ieder kreeg drie zwarte zoute broden; later mocht men die, onder geleide van bewakers, op de markt voor twee van betere kwaliteit inruilen. Na verloop van tijd kregen zij een nietig beetje geld inplaats van de toegewezen hoeveelheid brood. Allen, op twee na, werden kort na aankomst ziek. Malaria en dysenterie, tezamen met de drukkende hitte, droegen nog tot hun ellende bij. Drie van hen bezweken, waaronder twee broers die, zoals Bahá’u’lláh getuigde, in dezelfde nacht “dicht in elkaars armen” stierven. Hij gaf Zijn eigen kleed om te worden verkocht voor de aanschaf van hun lijkwaden en begrafenis. Het armzalige bedrag dat men er, nadat het bij opbod was verkocht, voor kreeg, werd aan de bewakers overhandigd; deze hadden geweigerd hun te begraven vóór hen het geld voor de noodzakelijke uitgaven ter hand was gesteld. Later vernam men dat zij de lijken, zonder die af te leggen, zonder kist en in de kleren die zij bij hun heengaan hadden gedragen, hadden begraven, ofschoon, zoals Bahá’u’lláh later bevestigde, hun het dubbele van het benodigde bedrag was gegeven. “Niemand”, zo schrijft Hij Zelf, “weet wat Ons is overkomen behalve God, de Almachtige, de Alwetende … vanaf de grondlegging van de wereld tot aan de huidige dag heeft men nog nimmer van een dergelijke wreedheid gehoord”. Bovendien heeft Hij met betrekking tot Zichzelf vermeld, “Hij is voor het grootste deel van Zijn leven in de klauwen van Zijn vijanden zwaar beproefd, Zijn lijden heeft nu het hoogste punt bereikt in deze rampzalige gevangenis, waar Zijn onderdrukkers Hem ten onrechte in hebben geworpen”. […]

‘Abdu’l-Bahá verklaart: “Het is moeilijk te begrijpen hoe Bahá’u’lláh verplicht kon worden Perzië te verlaten en Zijn tent op te zetten in dit Heilige Land, ware het niet vanwege de vervolging door Zijn vijanden, Zijn verbanning en ballingschap”. In feite, zo verzekert Hij ons, was deze vervulling “twee- of drieduizend jaar tevoren bij monde van de Profeten” voorzegd. God, “trouw aan Zijn belofte”, had “aan enkele van de Profeten” “geopenbaard en het goede nieuws gegeven dat de Heer der Heerscharen in het Heilige Land geopenbaard zou worden”.

Aankomst in het Heilige Land

De Turkse strafkolonie Akka in het Heilige Land

Aankomst in het Heilige Land

Zeepoort van Akka

Bronnen - Shoghi Effendi: God Schrijdt Voorbij — Den Haag 1983; gravure: W.M Thompson: The Land and the Book — 1880

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht