Badi

Bahai Badi

De Wonderbaarlijke

Van niet alle brieven die Bahá’u’lláh tot de heersers van Zijn tijd richtte is bekend òf en hoe zij de geadresseerde bereikten. Maar van de Brief aan Násiri’d-Dín Sháh weten wij dat wel. Die brief wordt bezorgd door een van de eerste Perzische gelovigen die een pelgrimsreis naar Bahá’u’lláh in Akka maken: de dan 17-jarige Badí uit Níshápúr. Met hulp van ‘Abdu’l-Bahá weet Badí begin 1869 de citadel binnen te komen, de tegenwoordigheid van Bahá’u’lláh te bereiken, en Hem te vragen om de eer de brief aan de Shah te mogen bezorgen.
Na een reis van vier maanden bereikt Badí in juni Teheran. De Shah verblijft de zomermaanden gewoonlijk in zijn zomerpaleis te Niyávarán, zo’n 17 kilometer ten noorden van de hoofdstad; of nog verder noordelijker in een van zijn reizende zomerkampementen. Het laatste blijkt het geval. Badí treft de Shah aan in de Lár Vallei. Het hof heeft zijn tenten opgeslagen bij het dorp Safid-Ab (Wit Water), de plek waar het koele heldere water van een bergrivier zich mengt met dat van de Lár.

 

In de woorden van Shoghi Effendi

— Násiri’d-Dín Sháh, door Bahá’u’lláh gebrandmerkt als de “vorst der verdrukkers”, als iemand die had “bedreven wat de inwoners der steden van gerechtigheid en rechtvaardigheid had doen weeklagen”, was in de periode die nu wordt beschreven, in de volle bloei van zijn leven gekomen en had het toppunt van zijn despotische macht bereikt. Deze grillige monarch, als de enige arbiter over het wel en wee van een land dat “volledig was vastgeroest in de eeuwenoude tradities van het oosten”; omringd door “omkoopbare, geslepen en oneerlijke” ministers die hij naar zijn believen kon verheffen of vernederen; het hoofd van een bestuur waarin “ieder handelend optredend mens, vanuit verschillende gezichtspunten bezien, de omkoper en de omgekochte was”, met als bondgenoot in zijn verzet tegen het Geloof een geestelijke orde die een ware “kerk-staat” vormde, en gesteund door een volk dat uitblonk in gruweldaden, berucht was om zijn fanatisme, kruiperigheid, hebzucht en corruptie - deze monarch die niet langer in staat was zelf de hand te slaan aan de persoon van Bahá’u’lláh, moest zich tevreden stellen met de taak te proberen in zijn eigen rijk de overblijfselen van een zeer gevreesde en opnieuw verrezen gemeenschap uit te roeien. […]

Áqá Buzurg uit Khurásán, de doorluchtige Badí (Wonderbaarlijke) […], was de zeventienjarige brenger van de Tafel, gericht tot Násiri’d-Dín Sháh; in hem was, zoals Bahá’u’lláh heeft bevestigd, “de geest van macht en kracht geblazen”; hij werd gearresteerd, drie dagen achtereen met gloeiend ijzer bewerkt; zijn hoofd werd met een geweerkolf tot moes geslagen, waarna zijn lijk in een put werd geworpen en met aarde en stenen overdekt. Nadat hij Bahá’u’lláh in het tweede jaar van Zijn opsluiting in de kazerne had opgezocht, had hij zich met verbazingwekkende gretigheid aangemeld om die Tafel, alleen en te voet, naar Teheran te brengen en aan de vorst ter hand te stellen. Na een tocht van vier maanden was hij in die stad aangekomen en na drie dagen vastend en wakend te hebben doorgebracht, was hij de Sjah tegemoet getreden toen deze met een jachtpartij op weg was naar Shimírán. Hij was Zijne Majesteit kalm en waardig genaderd en had luide uitgeroepen, “O Koning! Ik ben tot U gekomen uit Sheba met een belangrijke boodschap”, waarop men hem op last van de vorst de Tafel had afgenomen en deze aan de mujtahids [islamitische rechtsgeleerden] van Teheran had overhandigd, aan wie opdracht werd gegeven op dat epistel te antwoorden - een opdracht die zij omzeilden, en in plaats waarvan zij het advies gaven, dat de boodschapper ter dood gebracht moest worden. De Sjah zond de Tafel vervolgens door naar de Perzische ambassadeur in Constantinopel, in de hoop dat het na lezing de haat van de ministers van de Sultan verder zou aanwakkeren. Gedurende zeker drie jaar heeft Bahá’u’lláh in Zijn geschriften steeds weer de heldenmoed van die jongeling verheerlijkt en heeft in toespelingen die prachtige zelfopoffering gekenschetst als het “zout van Mijn Tafelen”. —

 

De Franse gezant Ernest de Bonnières de Wierre over Badí

— De koning verliet het Niyávarán Paleis twee weken geleden om, zoals elk jaar, naar Mázindarán te gaan waar de bossen hem een draaglijker temperatuur bieden dan die welke in onze omgeving [Teheran] heerst, en een meer overvloedige jacht.
Enkele dagen geleden keerde Zijne Majesteit juist terug naar zijn kamp toen er een vreemd geklede man op zijn pad verscheen. De wachters die de Koning steeds vergezellen joegen hem weg met slagen van hun stokken zoals dat gebruikelijk is wanneer iemand het waagt om het pad van de Koning te kruisen. De Koning gaf bevel om de man te arresteren en te vragen wat hij wilde. Die verklaarde dat hem was opgedragen om de Shah een rekwest te overhandigen. Er werd op hem een enveloppe gevonden met daarin een lange perkamenten brief in het Perzisch.
Dit rekwest was geschreven op een opmerkelijke manier, zowel wat betreft zijn stijl als zijn schrijfwijze, gelijk aan wat men verwacht van een adelijk persoon. Hij bevatte vele Arabische woorden en het typische taalgebruik van de bábís. Hij was afkomstig, volgens de persoon die hem bezorgde, van de Báb [Bahá’u’lláh], of het Hoofd der bábís, die op dit moment gevangen zit in St Jean d’Acre [Akka]. In deze brief spreekt de Báb [Bahá’u’lláh] de Koning toe in termen die respectvol zijn, doch niet tekortschieten in vermetelheid. Hij noemt zichzelf de leider van de nieuwe en ene ware religie en vraagt om naar Perzië te [mogen] komen om publiekelijk in een vergadering van theologen van de Islam, de superieuriteit en de waarheid aan te tonen van het geloof waarvan hij de belichaming is.
Zodra de Koning kennis had genomen van dit rekwest, gaf hij opdracht om het sektelid te folteren. Men wilde aan hem een vervloeking van de Báb onttrekken. Hij weigerde dit stelselmatig. Men wilde van hem informatie verkrijgen over de mensen met wie hij gedurende zijn reis naar Teheran in contact was geweest. Hij gaf die hen niet en betoonde onder foltering grote moed en een onoverwinnelijke wilskracht.
Dokter Tholozan die de Koning vergezelt, adviseerde hem om barmhartig te zijn: hij voerde aan dat foltering een barbaars gebruik was dat in beschaafde landen reeds lange tijd niet meer werd toegepast, en dat het, hoe dan ook, een onwerkzame methode was wanneer die werd toegepast op personen die onder invloed van godsdienstige vervoering stonden, en tenslotte benadrukte hij dat het sektelid ongewapend was.
Dit advies werd in de wind geslagen en de ongelukkige man werd de volgende dag onthoofd. […] —

 

In de woorden van ‘Abdu’l-Bahá

— De zin en de betekenis van de Tafel aan Násiri’d-Dín Sháh was in het kort deze: “Nu de tijd is aangebroken voor de verschijning van de Heerlijkheid Gods, vraag ik u Mij toe te staan naar Teheran te komen om iedere vraag die de geestelijken Mij zouden willen stellen, te beantwoorden. Ik spoor u met klem aan u los te maken van de wereldse pracht van uw rijk. Denk aan al de grote koningen, die vóór u hebben geleefd - hun glorie is vergaan!” De brief was in een bijzonder fraaie stijl geschreven. Zij bevatte nog meer waarschuwingen aan de koning en kondigde de toekomstige overwinning aan van het Koninkrijk van Bahá’u’lláh, zowel in het Oosten als in het Westen. De Sháh schonk geen aandacht aan de waarschuwingen in deze brief en leefde op de oude voet verder tot het einde. —

Badi

Vallei van de Lár met zomerkamp van Násiri’d-Dín Sháh (c.1890)

Badi

Detail van een zomerkamp (c.1890)

Badi

Badí in gevangenschap

Badi

Dr. Joseph Désiré Tholozan, lijfarts van de Shah (c.1880)

ENKELE PASSAGES UIT DE BRIEF VAN BAHA'U'LLAH

(ongeautoriseerde vertaling)

— O Koning! Ik was slechts een mens gelijk anderen, slapend op Mijn sponde, toen de ademtocht van de Al-Glorierijke over Mij voer, en Mij de kennis bijbracht van al wat is geweest. Dit is niet van Mij, maar van Eén Die Almachtig en Alwetend is. En Hij gebood Mij om Mijn stem te verheffen tussen hemel en aarde, en daardoor overkwam Mij dat wat de tranen van ieder begrijpend mens heeft doen vloeien. De kennis gangbaar onder de mensen bestudeerde ik niet; hun scholen ging Ik niet binnen. Vraag het de stad waarin Ik verbleef, opdat u ervan verzekerd moge zijn dat Ik niet behoor tot hen die vals spreken. Dit is slechts een blad dat de bries van de Wil van uw Heer, de Al-Machtige, de Al-Geprezene, deed bewegen. —

— O Koning van de eeuw! De ogen van deze vluchtelingen zijn gekeerd en gericht naar de genade van de Meest Barmhartige. Er bestaat hoegenaamd geen twijfel over dat deze beproevingen zullen worden gevolgd door de uitstortingen van een allerhoogste genade, en dat deze ernstige tegenslagen zullen worden gevolgd door een overvloedige voorspoed. Wij durven echter te hopen dat Zijne Majesteit de Shah deze zaken zelf zal onderzoeken, en de harten hoop zal brengen. Hetgeen Wij aan uwe Majesteit hebben voorgelegd is werkelijk voor uw hoogste welzijn. En God, waarlijk, is Mij tot voldoende getuige … —

— Ik heb op het pad van God dat gezien, O Shah, wat geen oog heeft gezien noch enig oor heeft gehoord … Hoe talrijk de beproevingen welke op Mij neer-regenden, en spoedig zullen neerregenen! Ik ga voort met Mijn gelaat gekeerd naar Hem Die de Almachtige, de Al-Vrijgevige is, terwijl de slang achter Mij aan glijdt. —

— Moge de wereld-sierende wens van Zijne Majesteit bevelen dat deze Dienaar van aangezicht tot aangezicht worde gebracht met de geestelijken van deze eeuw, en bewijzen en getuigenissen moge presenteren in de aanwezigheid van Zijne Majesteit de Shah! Deze Dienaar is gereed, en put hoop uit God dat zo’n bijeenkomst zal worden bijeengeroepen opdat de waarheid van de zaak overduidelijk worde gemaakt voor Zijne Majesteit de Shah. Het is nu aan u om te bevelen, en ik sta klaar voor de troon van uw soevereiniteit. Beslis, dan, voor Mij of tegen Mij. —

— Bij Hem Die de Waarheid is! Ik vrees geen beproeving op Zijn pad, noch enige aantasting in Mijn liefde voor Hem. Waarlijk God heeft tegenspoed gemaakt tot dauw op Zijn groene velden, en een lont voor Zijn lamp welke hemel en aarde verlicht. —

*

 

Bronnen - [‘Abdu’l-Bahá]: De Toespraken van ‘Abdu’l-Bahá in Parijs - Den Haag 1984; Moojan Momen: The Bábí and Bahá’í Religions, 1844-1944; Some Contemporary Western Accounts - Oxford 1981; H.M. Balyuzi: Bahá’u’lláh; The King of Glory - Oxford 1980; Adib Taherzadeh: The Revelation of Bahá’u’lláh; volumes II and III - Oxford 1983; [Bahá’u’lláh]: Epistle to the Son of the Wolf - Wilmette 1988; Shoghi Effendi: God Schrijdt Voorbij - Den Haag 1983.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht