Autobiografische citaten van de Bab

Oktober 1819 - Shiraz — Gij weet, o Mijn God, dat vanaf de dag dat Gij Mij in het leven riep uit het water van Uw liefde tot de dag dat Ik de leeftijd van vijftien jaar bereikte, Ik in het land leefde dat getuige was van Mijn geboorte. [p.180]

 

1834 - Bushihr — Daarna stelde Gij Mij in staat om naar de havenplaats te gaan alwaar Ik Mij gedurende vijf jaar bezighield met de handel in de goede gaven van Uw rijk en met dat waarmee Gij Mij begunstigde door de wondere kern van Uw goedertierenheid. [p.181]

 

Bab

Bushihr

 

1839 - Karbila — Ik ging van daaruit voort naar het Heilige Land [Karbila in Irak] alwaar Ik een jaar verbleef. [p.181]

 

1840 - Shiraz — Vervolgens keerde Ik terug naar de plaats van Mijn geboorte. Daar ontving Ik de openbaring van Uw allerverhevenste gunsten en de bewijzen van Uw grenzeloze genade. [p.181]

 

Mei 1844 - Shiraz — Uw Verlosser werd door God geroepen op de leeftijd van vierentwintig, temidden van mensen die geen van allen ook maar één enkele woord Arabisch spreken of verstaan. [p.146]

Waarlijk het overeenkomstige van dat wat God gedurende drieëntwintig jaar aan Muhammad openbaarde, werd aan Mij geopenbaard binnen een tijdsbestek van twee dagen en twee nachten. […] Zie, hoe vreemd dat iemand die opgroeide temidden van het volk van Perzië door God in staat werd gesteld zulke onweerlegbare uitspraken te verkondigen dat iedere geleerde tot zwijgen werd gebracht, en in staat werd gesteld om uit Zichzelf verzen te openbaren sneller dan iemand ze kon neerschrijven. [p.139]

God is Mijn getuige, Ik was geen geleerde, want Ik werd opgeleid tot koopman. In het jaar zestig [1844] vulde God genadiglijk Mijn ziel met de afdoende bewijzen en gewichtige kennis die Hem kenmerken Die de Getuigenis van God is - moge vrede met Hem zijn - totdat uiteindelijk in dat jaar Ik Gods verborgen Zaak verkondigde. [p.12]

Zeg; Waarlijk Ik ben de Poort van God en Ik geef u te drinken, met Gods toestemming, de soevereine Waarheid, van de kristal zuivere wateren van Zijn Openbaring die opwellen uit de onvergankelijke fontein gelegen op de heilige berg. [p.50]

Zeg niet ‘Hoe kan Hij van God spreken, terwijl Zijn leeftijd waarlijk niet hoger is dan vijfentwintig?’ [p.47]

In datzelfde jaar zond Ik u [Muhammad Sháh] een boodschapper en een boek, opdat u ten aanzien van de Zaak van Hem Die het Bewijs van God is zou handelen op een wijze die uw soevereiniteit waardig is. [p.13]

 

Bab

Shiraz

 

September 1844 - Mekka — Toen op de leeftijd van vijfentwintig ging Ik voort naar Uw heilige Huis [Mekka] … [p.181]

Van dit land [Masqat] gingen Wij vervolgens verder naar het heilige Huis, en op Onze terugreis deden Wij nogmaals deze plek aan … [p.35]

 

Juli 1845 - Shiraz — … tegen de tijd dat Ik terugkeerde naar de plaats waar ik werd geboren was er een jaar verstreken. [p.181]

Bij Mijn terugkeer van het heilige Huis zond Ik u [Muhammad Sháh] een boodschap gelijk aan, nee zelfs groter dan, die welke Ik u eerder zond. [p.24]

Toen Ik in Shiraz verbleef nam de onwaardige behandeling die Mij ten deel viel uit handen van haar slechte en verdorven gouverneur [Husayn Khán] zo’n smartelijke vorm aan dat ware u in kennis gesteld van slechts een tiende daarvan, u hem vergeldende gerechtigheid zou hebben doen toekomen. […] zijn overgave aan alcohol was zo buitensporig geworden dat hij nimmer nuchter genoeg was om een juist oordeel te vellen. Daarom was Ik genoodzaakt Shiraz te verlaten met het doel het verlichte en verheven hof van uwe majesteit te bereiken. [p.13]

 

Oktober 1846 - Isfahan — Aldus vertrok Ik met Uw toestemming daarvandaan en bracht zes maanden door in het land van Sád [Isfahan]. [p.181]

De Mu’tamidu’d-Dawlih [gouverneur Manúchir Khán] werd zich toen bewust van de waarheid van de Zaak en betoonde voorbeeldige dienstbaarheid en toewijding aan Zijn uitverkorenen. Toen enkele onwetenden in zijn stad zich verhieven om tot opstand aan te zetten verdedigde hij de goddelijke Waarheid door Mij enige tijd bescherming te verlenen in de beslotenheid van de gouverneurs-residentie. Tenslotte, na het welbehagen van God te hebben bereikt, keerde hij terug naar zijn verblijfplaats in het allerhoogste Paradijs. Moge God hem genadiglijk belonen. [p.14]

 

Maart 1847 - Isfahan — Volgend op zijn [Manúchir Khán’s] hemelvaart naar het eeuwige Koninkrijk, zond de doortrapte Gurgín [plaatsvervangend gouverneur], zijn toevlucht nemend tot allerhande bedrog, valse beloften en afpersing, Mij weg uit Isfahan onder escorte van vijf bewakers voor een reis die zeven dagen duurde zonder te voorzien in de noodzakelijke benodigdheden voor Mijn tocht - ach en wee voor hetgeen Mij trof - totdat tenslotte het bevel van uwe majesteit kwam dat Mij opdroeg voort te gaan naar Mákú … [p.14]

 

Bab

Isfahan

 

Juli 1847 - Mákú — Zou u [Muhammad Sháh] verteld worden in wat voor een plaats Ik verblijf, dan zou u de eerste zijn die medelijden met Mij had. In het hart van een berg is een fort … welks bewoners slechts bestaan uit twee bewakers en vier honden. [p.14]

In deze berg bleef Ik alleen, en heb Ik zoveel meegemaakt dat niemand vóór Mij heeft geleden wat Ik heb geleden, noch enige overtreder heeft doorstaan wat Ik doorstond. [p.16]

De bewoners van deze berg, verstoken als zij zijn van waar begrip, uiten voortdurend de woorden ‘Geen God is er dan God’; maar welk voordeel schenkt dat hun? Overdenk dit opdat u niet als door een sluier buitengesloten wordt van Hem Die de Dageraad van Openbaring is. [p.86]

… hoe talrijk het aantal mensen dat elk jaar op bedevaart gaat naar Mekka en de omgang verricht, terwijl Hij door de kracht van Wiens Woord de Ka’bah het voorwerp van aanbidding werd, van iedereen verlaten in deze berg zit. [p.105]

Ik […] bracht zeven maanden door in de Eerste Berg [Mákú] [p. 181]

 

Bab

Mákú

 

April 1848 - Chiriq — Nu in Mijn dertigste levensjaar [1849] aanschouwt Gij Mij, o Mijn God, in deze Berg van Smart [Chihríq] alwaar Ik een heel jaar heb doorgebracht. [p.181]

 

Juli 1850 - Tabriz — Gij kunt de dingen die de Almachtige Mij heeft voorgeschreven niet veranderen. Niets zal Mij raken dan dat wat God, Mijn Heer, voor Mij heeft bestemd. [p.27]

Ik heb Mij geheel geofferd voor U; Ik heb vervloekingen aanvaard omwille van U en gesnakt naar niets dan het martelaarschap op het pad van Uw liefde. [p.59]

Hoe talrijk de zielen die in voorgaande tijden omwille van U ter dood werden gebracht, en op wier namen allen zich nu beroemen. [p.190]

 

Bab

Tabriz

Bronnen - Selections from the Writings of the Báb — Haifa 1976 — (ongeautoriseerde vertaling uit het Engels); Tekeningen van Eugène Flandin. Deze Fransman maakte in 1839-1841 een reis door Perzië.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht