Baha'i vervolgingen in Iran 1955

Baha'i vervolgingen in Iran 1955

Nationale Bahá’í Centrum Teheran

De machtigste moslim geestelijke van Iran, Ayatollah Borujerdi, krijgt als dank voor zijn steun aan Reza Shah Pahlavi de gelegenheid om bahá’ís te vervolgen. Die zouden de islamitische en nationale belangen van het land schaden. Begin mei, tijdens de islamitische vastenperiode, gaat op de staatsradio en in de kranten zijn campagne van start. Gedurende enkele maanden trekt een golf van religieuze intolerantie door het land. In Teheran slopen hoge militairen eigenhandig de koepel van het Nationale Bahá’í Centrum.

Shoghi Effendi over de vervolgingen in Iran:

— ‘Een crisis in de lotgevallen van het Geloof van Bahá’u’lláh, een van uitzonderlijke ernst, uitgebreid in haar vertakkingen, en onvoorspelbaar in haar onmiddellijke gevolgen, een bij welke de overweldigende meerderheid van zijn volgelingen in het land van Zijn geboorte rechtstreeks betrokken is, en die de Bahá’í-gemeenschappen van beide hemisferen voor een grote uitdaging stelt, heeft de Bahá’í-wereld, terwijl die bezig is met de uitvoering van een wereldwijde spirituele kruistocht, in intens verdriet en diepe vrees gedompeld. […]

Deze vooropgezette campagne werd voorafgegaan door gewelddadige en herhaalde openlijke veroordelingen van het Geloof via de radio, vanaf de kansel en in de pers, daarbij werden zijn heilige Stichters belasterd, de onderscheidende kenmerken ervan vertekend, zijn bedoeling en doeleinden belachelijk gemaakt en zijn geschiedenis verdraaid. Zij werd officieel gelanceerd door de officiële verklaring van de regering in de Majlis [Parlement] die het Geloof buiten de wet plaatste en zijn activiteiten in het hele land verbood. Zij werd al snel gevolgd door de zinloze en onbeschaafde sloop van de imposante koepel van het Bahá’í Centrale Bestuurlijke Hoofdkwartier in de hoofdstad. Het nam serieuze vormen aan door de inbeslagname en bezetting van alle Bahá’í-bestuurscentra in de provincies.

Deze drastische actie van de vertegenwoordigers van de centrale overheid in steden en dorpen was het startsein voor het ontketenen van een stortvloed aan mishandeling, die in de meeste provincies vergezeld ging van een reeks gelijktijdige en schaamteloze wreedheden, en die een spoor van verwoesting van bahá’í-huizen en de economische ondergang voor bahá’í-families naliet, en de annalen van de Shí’ah Islám in dat geplaagde land nog verder bezoedelde.

In Shíráz, in de provincie Fárs, de bakermat van het Geloof, werd het Huis van de Báb, dat door Bahá'u'lláh in Zijn Allerheiligste Boek aangewezen was als de belangrijkste bedevaartplaats in het land van Zijn geboorte, tweemaal ontheiligd, zijn muren zwaar beschadigd, zijn ramen gebroken en het meubilair gedeeltelijk verwoest en weggevoerd. Het naburige huis van de oom van de moeder van de Báb werd met de grond gelijk gemaakt. Het voorvaderlijke huis van Bahá’u’lláh in Tákúr, in de provincie Mázindarán, het toneel van de vroege jeugd van ‘Abdu’l-Bahá, werd bezet. Winkels en boerderijen, in de meeste gevallen de enige bron van levensonderhoud voor vreedzame Bahá’í-families, werden geplunderd. Gewassen en vee, bezittingen die geduldig waren verkregen door veelal arme, maar altijd vredelievende, gezagsgetrouwe boeren, werden moedwillig vernietigd. Lichamen op verschillende begraafplaatsen werden opgegraven en vervolgens verminkt. De huizen van zowel rijk als arm werden met geweld binnengedrongen en meedogenloos geplunderd. Zowel volwassenen als kinderen werden publiekelijk aangesproken, beschimpt, geslagen en belachelijk gemaakt. Jonge vrouwen werden ontvoerd en gedwongen, tegen de wens van hun ouders en henzelf in om met moslims te trouwen. Jongens en meisjes werden lastig gevallen op school, bespot en weggestuurd. In veel gevallen werd door slagers en bakkers een boycot opgelegd, en weigerden zij om aan de aanhangers van het Geloof de eerste levensbehoeften te verkopen. Een meisje in haar tienerjaren werd schaamteloos verkracht, terwijl een elf maanden oude baby harteloos werd vertrapt. Er werd op de gelovigen druk uitgeoefend om hun geloof te herroepen en afstand te doen van trouw aan de Zaak die zij hadden aanvaard.

Dit was echter niet alles. Aangemoedigd door het algemene applaus dat door de bevolking aan de wilde daders van deze misdaden werd gegeven, trok een menigte van honderden op naar het gehucht Hurmuzak, stortte zich daar onder tromgeroffel en trompetgeschal, en bewapend met schoppen en bijlen, op een gezin van zeven, waarvan de oudste tachtig was, en de jongste negentien, en hakte hen in een orgie van ongeremd fanatisme, letterlijk in stukken.

In direct vervolg op deze gruwelijke misdaad, zoals die sinds het einde van het Heroïsche Tijdperk van het Geloof niet meer was waargenomen, werd door het kantoor van de premier in Ṭeheran een officieel bevel uitgevaardigd, waarbij een verbod werd ingesteld op tewerkstelling van bahá’is in overheidsdienst en het onmiddellijke ontslag werd bevolen van allen die vasthielden aan het naleven van hun geloof.

Deze tragische, snel opeenvolgende gebeurtenissen hebben de Bahá’í-wereld op haar grondvesten doen schudden. Er werden onmiddellijk tegenmaatregelen genomen en door nationale en plaatselijke raden en groepen op alle continenten van de wereld werden meer dan duizend petities gericht aan de hoogste autoriteiten in Perzië, inclusief de Sjah, in de hoop het tij van vervolging te keren dat de gehele Perzische Bahá’í-gemeenschap dreigde te overspoelen. Bovendien werd er een wijdverbreide publiciteitscampagne in gang gezet in de verwachting dat de repercussies een remmende invloed zouden hebben op de daders van deze monsterlijke daden. Er werd bovendien beroep aangetekend bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, waarvan afschriften werden bezorgd aan de vertegenwoordigers van de lidstaten van de Raad, aan de directeur van de afdeling mensenrechten, evenals aan niet-gouvernementele organisaties met een consultatieve status. Meer recentelijk werd op president Eisenhower, die, zoals in de pers werd bericht, de eerste was om melding te maken van de aanvallen tegen het Geloof, een beroep gedaan door zowel de Amerikaanse Nationale Geestelijke Raad als door alle groepen en lokale raden in de Verenigde Staten om op te komen voor de slachtoffers van deze vervolgingen.’ —

Baha'i vervolgingen in Iran 1955

Luchtfoto 1951

Baha'i vervolgingen in Iran 1955

Nationaal Bahá'í Centrum Teheran

Bahai vervolgingen 1955

Bezetting door militairen 1955

Baha'i vervolgingen 1955

Sloop van de koepel 1955

Bronnen — Bahá’í Reference Library: Citadel of Faith - brief 20 augustus 1955; Roy Mottahedeh: The Mantle of the Prophet, religion and politics in Iran - Penguin Books 1985

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht