Gouden daktegels uit Nederland

Gouden daktegels uit Nederland

Gouden tegels van Westraven

Het was ‘Abdu’l-Bahá’s wens geweest om het Mausoleum van de Báb te kronen met een gouden koepel. En de studies voor het definitieve ontwerp door de Canadese architect William Sutherland Maxwell hielden daar vanaf het begin (1941) rekening mee.

Direct vanaf de start van de bouw (1948) was er een zoektocht begonnen naar een geschikte en duurzame bekleding van de koepel. Oplossingen zoals vergulde koperen platen, een mozaïek, en een doorschijnende coating werden één voor één verworpen, en zo restte tenslotte nog slechts één mogelijkheid: geglazuurde terracotta tegels. In opdracht van de Behoeder gaat de Siciliaans-Amerikaanse bahá’í Dr. Ugo Giachery op zoek naar producenten in Italië, Spanje en Portugal, maar het zit hem niet mee. Giachery:

— ‘Onze vragen werden de ene keer met ongeloof ontvangen en de andere keer om technische redenen afgewezen.’ —

—Ugo Giachery

Het tij keert tijdens de Vierde Europese (Bahá'í) Onderricht Conferentie die in september 1951 in Scheveningen wordt gehouden. Giachery maakt van die gelegenheid gebruik om ook in Nederland een lijstje van mogelijke producenten af te werken en op de tweede dag van zijn zoektocht heeft hij succes. Jonkheer Ir. Robert de Brauw, directeur van de N.V. Faïence- en Tegelfabriek Westraven te Utrecht, durft de uitdaging wel aan. Giachery over De Brauw:

— ‘Hij was een chemisch ingenieur van beroep, lid van de adel, en had bij het einde van de oorlog de leiding van deze kleine fabriek [weer] op zich genomen, en hij probeerde die nu succesvol te maken. [...] Direct vanaf het begin van ons gesprek won hij mijn vertrouwen, en verloste hij mij van mijn bange voorgevoelens. Zijn opmerking: “Wij hebben alleen platte vergulde tegels gemaakt voor verticale ophanging” — en hij noemde een zojuist voltooid project in een ander land — “maar wij zijn bereid om het te proberen,” was het beslissende punt in zijn voordeel.’ —

— Ugo Giachery

In februari 1952 begint men bij Westraven aan de proefnemingen die nodig zijn voor de fabricage. Het kost de medewerkers Karel Bazuine en Willem de Groot enkele maanden van experimenteren om de tegels te voorzien van een laag goudglazuur die bestand is tegen alle mogelijke weersomstandigheden. En als dat probleem is opgelost, dient zich alweer het volgende aan: vanwege de ronding van de koepel, die is opgebouwd uit een kegel, een bol en een cylinder, hebben niet alle 12.000 tegels dezelfde afmetingen. En omdat het niet mogelijk is om de daktegels ná het bakken op maat te zagen en te schuren, moet vóóraf worden berekend welke veranderingen er tijdens het bakproces in de oven zullen optreden. Om het testen te vergemakkelijken wordt op het fabrieksterrein de koepel in een houten schaalmodel (1:18) nagebouwd. Een regionaal dagblad merkt op:

— ‘De tegels moesten de vorm hebben van visschubben en precies op maat zijn […] Dit bracht met zich, dat de tegels alle een min of meer tapse vorm moesten krijgen en naarmate ze hoger op de koepel zouden komen te liggen, smaller moesten worden. Een bijzondere moeilijkheid was nog, dat de koepel uit 18 segmenten bestond, ingedeeld door marmeren banden, die niet volgens meetkundige beginselen zich naar boven versmalden. Maar bovendien bevindt zich in ieder segment nog een marmeren bladmotief, waaraan de tegels zich in vorm moesten aanpassen, Dit heeft betekend, dat vrijwel iedere ring van tegels apart berekend en ontworpen moest worden en dat om de andere, de ringen ook halve tegels moesten bevatten. Dat dit veel zorg en wiskundige berekening heeft gekost, behoeft geen verwondering te baren.’ —

Provinciale Drentsche en Asser Courant, 18 september 1953

De testfase wordt succesvol afgerond en in juni kan de Behoeder aan de Bahá’í wereld telegraferen:

— ‘(De) experimenten voorafgaande (aan de) plaatsing (van de) order (voor de) vergulde tegels (voor de) koepel (zijn) afgerond. Verwacht vol vertrouwen (de) voltooiing (van) alle voorbereidingen waardoor (de) bouwers (van deze) machtige (en) heilige structuur kunnen beginnen (met de) bouw (van de) koepel […]’ —

— Shoghi Effendi, telegram 11 juni 1952

In september wordt in Utrecht het contract voor de productie van 12.000 tegels van meer dan 50 verschillende afmetingen, in grootte variërend van 8 tot 20 centimeter, getekend. De tegels worden in vier maanden tijd vervaardigd, afzonderlijk verpakt, voorzien van een nummer dat hun vorm en afmetingen en daarmee hun positie op de koepel aangeeft, en in meerdere zendingen over de Vaartse Rijn en de Lek naar Rotterdam vervoerd. Begin 1953 arriveren de eerste kratten, samen met drie werknemers van Westraven, op de bouwplaats in Haifa.

Op de 9-de dag van Ridván (29 april) plaatst de Behoeder in een eenvoudige plechtigheid onder een tegel van de eerste ring aan de basis van de koepel een zilveren doosje met daarin een stukje pleisterwerk van het plafond van de cel van de Báb in het fort van Máh-Kú. In de daaropvolgende twee maanden wordt de koepel verder opgetrokken door spuitbeton aan te brengen op een stalen bewapening. Nadat ook de marmeren ribben, bloem-ornamenten en de lantaarn zijn geplaatst, worden tenslotte de laatste gouden daktegels aangebracht. De Behoeder kan in augustus de Nationale Geestelijke Raden per telegram berichten dat de bouw van het Mausoleum van de Báb zijn voltooiing nadert:

— ‘Zend (hierbij de) Nationale Raden (van de) Bahá’í wereld (het) vreugdevolle nieuws (dat het) plaatsen van (de) vergulde tegels (over het) gehele oppervlakte (van de) koepel (van het) Graf (van de) Báb (is) voltooid.’ —

— Shoghi Effendi, telegram 19 augustus 1953

De afronding van het project dat meer dan 60 jaar eerder door Bahá’u’lláh was begonnen - de realisatie van een passende laatste rustplaats voor de stoffelijke resten van de Báb - wordt tenslotte in oktober tijdens de Internationale Onderricht Conferentie in New Delhi, India, officieel bekend gemaakt. De Behoeder sluit zijn telegram af met:

— ‘(De) Koningin van (de) Carmel, getroond (op) Gods berg, gekroond (met) glanzend goud, gekleed (in) smetteloos wit (en) omgord (door) smaragdgroen, betovert ieder oog (vanuit de) lucht (de) zee (de) vlakte (en de) heuvel’ —

—Shoghi Effendi, telegram oktober 1953

Gouden daktegels

Dr. Ugo Giarchery, 1954

Gouden daktegels

Jonkheer Ir. Robert de Brauw, 1952

Gouden daktegels

Kantoor van de N.V. Faïence- en Tegelfabriek Westraven,
Helling 112 te Utrecht

Gouden daktegels uit Nederland

Een daktegel met originele genummerde verpakking

Gouden daktegels

Rechts de Amerikaanse bahá’í Leroy Ioas onder wiens supervisie de koepel werd gebouwd. In het midden Abu Khalil, een steenhouwer/metselaar uit Akka.

Gouden daktegels uit Nederland

Abu Khalil plaatst de daktegels op een ondergrond van gewapend spuitbeton

Gouden daktegels

De eerste ringen van daktegels zijn aangebracht

Gouden daktegels

De eerste foto van het voltooide Mausoleum van de Báb, 1953

Bronnen — Bahá’í News April 1952, July 1952; December 1952, June 1953, July 1953, September 1953; Provinciale Drentsche en Asser Courant, 18 september 1953; Arnhemsche Courant 19 september 1953; Ugo Giachery: Shoghi Effendi, recollections - Oxford 1973; Marcel Hermens: Faïence- en Tegelfabriek Westraven 1844-1994 - Vianen 2005; Bahá’í World News Service 20 March 2007; Michael V. Day: Coronation on Carmel, the story of the Shrine of the Báb, volume II, 1922-1963 - Oxford 2018.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis