Brief aan de Koningen

Brief aan de Koningen

Ornament in de Bahá'í-tuinen

Nadat Hij aan de vooravond van Zijn vertrek uit Bagdad Zijn zending bekend had gemaakt aan Zijn directe metgezellen, en via brieven en koeriers vanuit Adrianopel het nieuws had verspreid onder de bábís in Perzië, hervat Bahá’u’lláh nu ook de bekendmaking van Zijn Zaak aan de koningen van de wereld; een proces dat Hij in Constantinopel al was begonnen met de openbaring van een Brief aan Sultan ‘Abdu’l-‘Azíz naar aanleiding van diens beslissing om Hem naar Adrianopel te verbannen.
In Zijn Brief aan de Koningen (Súriy-i-Mulúk), geopenbaard in september en oktober 1867, richt Bahá’u’lláh zich tot de koningen van het Oosten en het Westen, de Sultan van Turkije en diens ministers, de koningen van het Christendom, de Franse en Perzische ambassadeurs, de moslem leiders en bevolking van Constantinopel, het volk van Perzië, en de geleerden en filosofen van de wereld.
Shoghi Effendi noemt de Brief aan de Koningen ‘de meest gewichtige Tafel door Bahá’u’lláh geopenbaard’. En hij nam in 1941 grote delen ervan op in zijn boek The Promised Day Is Come.

Shoghi Effendi: — ‘Men moet niet vergeten dat het de koningen van de aarde en de religieuze leiders van de wereld waren die, vóór alle andere categorieën van mensen, de directe ontvangers waren van de Boodschap die door zowel de Báb als Bahá’u’lláh werd verkondigd. Zij waren het die opzettelijk werden aangesproken in talrijke en historische Tafelen, die werden aangespoord om te reageren op de Roep van God, en aan wie in klare en krachtige taal de oproep, de vermaningen en waarschuwingen van Zijn vervolgde Boodschappers, waren gericht. Zij waren het die, toen het Geloof werd geboren en later, toen haar missie werd verkondigd, nog steeds voor het grootste deel onbetwist en absoluut civiel en kerkelijk gezag uitoefenden over hun onderdanen en volgelingen. Zij waren het die, of zij zich nu beroemden op de pracht en praal van een koningschap dat tot dan toe nauwelijks werd ingetoomd door grondwettelijke beperkingen, of verschanst waren binnen de bolwerken van een schijnbaar onschendbare kerkelijke macht, de eindverantwoordelijkheid op zich namen voor alle fouten begaan door hen over wier onmiddellijke lotsbestemming zij heersten. Het zou niet overdreven zijn om te zeggen dat in de meeste landen van de Europese en Aziatische continenten absolutisme, enerzijds, en volledige onderdanigheid aan kerkelijke hiërarchieën, anderzijds, nog steeds de voornaamste kenmerken waren van het politieke en religieuze leven van de massa’s. Deze, overheerst en geketend, werden beroofd van de noodzakelijke vrijheid die hun in staat zou stellen om de claims en verdiensten van de Boodschap die aan hen werd aangeboden te beoordelen, of om de waarheid ervan onvoorwaardelijk te omarmen.’ —

Passages uit de Tafel aan de Koningen

(Ongeautoriseerde vertaling)

1 — Dit is een Tafel van de Dienaar, die Ḥusayn wordt genoemd in het koninkrijk van namen, tot het gezelschap van de koningen der aarde. Wellicht zullen zij deze benaderen in een geest van ruimdenkendheid, uit Zijn Boodschap de mysteriën van de goddelijke voorzienigheid ontdekken, en tot hen behoren die de betekenis ervan begrijpen. En wellicht zullen zij al wat zij bezitten opgeven, zich keren naar de verblijven van heiligheid, en naderen tot God, de Al-glorierijke, de Onvergelijkbare.

[…]

5 — […] De Lamp van God werd ontstoken in de nis van Zijn Zaak, maar gij hebt nagelaten de glans van Haar heerlijkheid te zoeken en Haar licht te naderen. En nog steeds sluimert gij voort op de rustbank van onachtzaamheid!

[…]

8 — Leg uw geschillen bij en verminder uw bewapening, opdat de last van uw uitgaven kan worden verlicht, en uw geest en hart tot rust kunnen komen. Genees de onenigheden die u verdelen en gij zult geen bewapening meer nodig hebben, anders dan noodzakelijk voor de bescherming van uw steden en territoria. Vrees God en hoedt u ervoor om de grenzen van gematigdheid te buiten te gaan en tot de buitensporigen te worden gerekend.

[…]

9 — Wij hebben vernomen dat gij elk jaar uw uitgaven verhoogt en de last ervan op uw onderdanen legt. Dit is waarlijk meer dan zij kunnen dragen en een zwaar onrecht. Oordeel rechtvaardig tussen mensen, o koningen, en wees het toonbeeld van rechtvaardigheid onder hen. Dit is, als gij eerlijk oordeelt, hetgeen gij nodig hebt en uw rang betaamt.

[…]

11 — Weet dat de armen de door God toevertrouwden in uw midden zijn. Let op dat gij Zijn vertrouwen niet beschaamt, dat gij hen niet onrechtvaardig behandelt en dat gij niet in de voetsporen der verraders treedt. Gij zult voor Zijn vertrouwen beslist ter verantwoording worden geroepen op de dag waarop de Waag van Gerechtigheid zal worden opgericht, de dag waarop iedereen zal krijgen wat hem toekomt, en de daden van alle mensen, of zij nu rijk of arm zijn, zullen worden gewogen.

[…]

15 — O koningen van het christendom! Hebt gij het woord van Jezus, de Geest van God, niet gehoord: “Ik ga heen en kom weer tot u”? [Joh. 14:28] Waarom liet gij na, toen Hij weer tot u kwam op de wolken des hemels, om Hem nabij te komen, opdat gij Zijn aangezicht zou kunnen aanschouwen, en tot hen te behoren die Zijn tegenwoordigheid bereikten? In een andere passage zegt Hij: “Wanneer Hij, de Geest der waarheid, is gekomen, zal Hij u tot de volle waarheid leiden.” [Joh. 16:13] En toch, toen Hij de waarheid bracht, weigerde gij om uw gelaat naar Hem te keren, en bleef gij zich bezighouden met uw speeltjes en fantasieën. Gij hebt Hem niet verwelkomd, noch Zijn Tegenwoordigheid gezocht, zodat gij de verzen van God uit Zijn eigen mond zou kunnen horen, en deel zou hebben van de veelzijdige wijsheid van de Almachtige, de Alglorierijke, de Alwijze. Gij hebt, vanwege uw falen, de adem van God verhinderd om over u heen te worden bewogen, en hebt uw ziel de zoetheid van Zijn geur onthouden. Gij blijft met genoegen ronddolen in de vallei van uw corrupte verlangens. Bij God! Gij, en alles wat gij bezit, zullen voorbijgaan. Gij zult beslist tot God terugkeren en voor uw daden ter verantwoording worden geroepen in de tegenwoordigheid van Hem, Die de gehele schepping bijeen zal brengen.

[…]

21 — God heeft de teugels van de heerschappij over het volk in uw handen gelegd, opdat gij met rechtvaardigheid over hen regeert, de rechten van de vertrapten beschermt en de overtreders bestraft. Als gij de plicht die God u in Zijn Boek heeft voorgeschreven, veronachtzaamt, zullen uw namen worden gerekend tot die der onrechtvaardigen in Zijn ogen. Betreurenswaardig, inderdaad, zal uw fout zijn. Houdt gij zich vast aan wat uw fantasieën hebben bedacht, en werpt gij de geboden van God de Meest Verhevene, de Ontoegankelijke, de Alwetende, de Almachtige achter u? Werp de dingen die gij bezit weg en houd vast aan hetgeen God u heeft opgedragen in acht te nemen. Zoek Zijn genade, want hij die daar naar streeft, bewandelt Zijn rechte Pad.

[…]

30 — Wees eerlijk in uw oordeel, o gij ministers van staat! Wat is het dat Wij hebben begaan en dat onze verbanning zou kunnen rechtvaardigen? Wat is het strafbare feit dat Onze uitwijzing heeft gerechtvaardigd? Wij zijn het Die u hebben gezocht, en toch, zie hoe gij weigerde om Ons te ontvangen! Bij God! Dit is een pijnlijke onrechtvaardigheid die gij hebt gepleegd - een onrecht waarmee geen aardse onrechtvaardigheid kan worden vergeleken. Hiervan is de Almachtige Zelf getuige.

[…]

44 — Leg geen ziel een last op waarvan gij niet wenst dat die u wordt opgelegd, en wens voor niemand de dingen die gij niet voor uzelf zou wensen. Dit is mijn beste raad aan u, volgde gij die maar op.

[…]

53 — De dag nadert dat God een volk zal hebben doen opstaan dat Onze dagen in herinnering zal roepen, dat het verhaal van Onze beproevingen zal vertellen, dat de teruggave van Onze rechten zal eisen van hen die, zonder ook maar een greintje bewijs, Ons duidelijk onrechtvaardig hebben behandeld. God beheert voor zeker het leven van hen die Ons onrecht hebben aangedaan, en is Zich goed bewust van hun daden. Hij zal hen zeker aanhouden voor hun zonden. Hij is waarlijk de meest strenge der wrekers.

[…]

59 — Pas op, o koning [‘Abu’l-‘Aziz], dat gij geen dienaren om u heen verzamelt die de verlangens van een corrupte neiging volgen, die verworpen hebben dat wat aan hun handen werd toevertrouwd, en duidelijk het vertrouwen hebben beschaamd. Wees vrijgevig jegens anderen, zoals God vrijgevig jegens u is geweest, en laat de belangen van uw volk niet over aan de genade van dienaren als deze. Leg de vreze Gods niet terzijde, en behoor tot hen die oprecht handelen. Verzamel rondom u die dienaren van wie gij de geur van geloof en rechtvaardigheid kunt opmerken, en overleg met hen, kies wat in uw ogen het beste is, en behoor tot hen die edelmoedig handelen.

[…]

66 — Ga de grenzen van gematigdheid niet te buiten, en behandel hen die u dienen rechtvaardig. Geef hen naar hun behoeften en niet in zo’n mate dat dit hen in staat zal stellen om rijkdom voor zichzelf te vergaren, hun lichaam te behangen, hun huis te versieren, dingen te verwerven die hen niet ten goede komen, en gerekend te worden tot de buitensporigen. Behandel hen met strikte rechtvaardigheid, zodat niemand van hen gebrek zal lijden, of verwend zal worden met luxe. Dit is slechts duidelijke rechtvaardigheid.

[…]

78 — Ik zweer bij God, o koning! Het is niet Mijn wens om Mij bij u te beklagen over hen die Mij vervolgen. Ik leg Mijn verdriet en Mijn droefheid slechts voor aan God, Die Mij en hen heeft geschapen, Die Onze toestand goed kent en Die over alles waakt. Het is mijn wens om hen te waarschuwen voor de gevolgen van hun daden, opdat zij wellicht stoppen met het behandelen van anderen zoals zij Mij hebben behandeld, en tot hen zullen behoren die acht slaan op Mijn waarschuwing.

[…]

84 — Verbeeldt gij u, o minister van de sháh in de stad [Constantinopel], dat Ik de uiteindelijke bestemming van de Zaak van God in Mijn greep heb? Denkt gij dat Mijn gevangenneming, of de schande die Ik moest ondergaan, of zelfs Mijn dood en totale vernietiging, haar koers kan wijzigen? Verdorven is dat wat u zich in uw hart hebt voorgesteld! U behoort werkelijk tot hen die de ijdele inbeeldingen van hun hart volgen. [...]

[…]

96 — Sla acht op Mijn waarschuwing, gij volk van Perzië! Als Ik door uw toedoen wordt gedood, zal God voorzeker iemand doen opstaan die de door Mijn dood vrijgekomen zetel zal overnemen, want dat is van oudsher Gods werkwijze, en in Gods werkwijze vind gij geen verandering. Tracht gij Gods licht dat op Zijn aarde schijnt, uit te doven? Wars is God van dat wat gij verlangt. Hij zal Zijn licht vervolmaken, ook al verafschuwt gij dat in het diepst van uw hart.

[…]

108 — O gij geestelijken van de stad! [Constantinopel]. Wij kwamen tot u met de waarheid, terwijl gij er geen acht op sloeg. Mij dunkt, dat gij gelijk doden bent, gehuld in de bedekkingen van uw eigen ik. Gij zocht Onze tegenwoordigheid niet, terwijl dat beter voor u zou zijn geweest dan al uw andere doen en laten. Weet dat de Zon van volmacht waarlijk is opgekomen, en toch hebt gij zich daarvan afgekeerd. De maan van leiding staat hoog aan de hemel, en toch blijft gij daarvan gesluierd. De Ster van goddelijke milddadigheid schijnt boven de horizon van eeuwige heiligheid, en toch bent gij ver van haar afgedwaald.

[…]

113 — O gij wijzen van de stad en filosofen van de wereld! Pas op dat menselijke geleerdheid en wijsheid u niet hoogmoedig maken voor God, de Helper in nood, de Bij-Zichzelf-Bestaande. Weet dat ware wijsheid is God te vrezen, Hem te kennen en Zijn Manifestaties te erkennen. Deze wijsheid kan echter alleen worden bereikt door hen die zich van de wereld losmaken en de wegen van het welbehagen van hun Heer bewandelen. [...]

[…]

115 — O, gij geleerden van de wereld! U faalde Onze aanwezigheid te zoeken, opdat gij naar de zoete melodieën van de Geest zou kunnen luisteren en zou kunnen zien wat God in Zijn milddadigheid heeft behaagt aan Mij te schenken. Voorwaar, deze genade is u nu ontgaan, wist gij het slechts. Had gij onze aanwezigheid gezocht, dan zouden Wij u een kennis hebben gegeven die u onafhankelijk van al het andere zou hebben gemaakt. Maar dit liet gij na te doen, en zo werd het gebod van God vervuld. Nu is Mij verboden om die te onthullen, omdat Wij beschuldigd worden van tovenarij, als gij Onze bedoeling begrijpt. Deze zelfde woorden werden geuit door de ontkenners van weleer, mensen die reeds lang geleden door de dood werden ingehaald en die nu in het vuur verblijven en hun lot bewenen. De ontkenners van deze dag zullen evenzo hun ondergang tegemoet gaan. Aldus is het onherroepelijke bevel van Hem Die de Almachtige, de Zelfvoorzienende is.

[…]

118 — Vrede zij met u, o schare van getrouwen, en lof zij God, de Heer der werelden.

*

Bezoek bahai.org voor: The Tablet to the Kings (Súriy-i-Mulúk)

 

Koningen in 1867

Brief aan de Koningen

‘Abdu’l-‘Azíz (1830-1876) Sultan van het Ottomaanse Rijk

Brief aan de Koningen

Alexander II (1818-1881) Tsaar van Rusland

Brief aan de Koningen

Franz Joseph (1830-1916) Keizer van Oostenrijk en Hongarije

Brief aan de koningen

Isabella II (1830-1904) Koningin van Spanje

Brief aan de Koningen

Karl XV (1826-1872) Koning van Zweden en Noorwegen

Brief aan de Koningen

Mutsuhito (Meji) (1852-1912) Keizer van Japan

Brief aan de Koningen

Napoleon III (1808-1873) Keizer van Frankrijk

Brief aan de Koningen

Násirid-Dín (1831-1896) Shah van Perzië

Brief aan de Koningen

Pedro II (1825-1891) Keizer van Brazilië

Brief aan de Koningen

Rama IV (1804-1868) Koning van Thailand

Brief aan de Koningen

Tsu-hsi (Ci Xi) (1835-1908) Keizerin-regentes van China

Brief aan de Koningen

Victoria (1819-1901) Koningin van Groot-Brittannië

Brief aan de Koningen

Wilhelm I (1797-1888) Keizer van Pruisen

Brief aan de Koningen

Willem III (1817-1890) Koning van Nederland