Edward Browne komt op voor babi's

Edward Browne komt op voor babi's

Edward Browne

Als op 1 mei 1896, aan de vooravond van zijn 50-jarig regeringsjubileum, Násiri’d-Dín Sháh wordt vermoord door een pan-islamist, krijgen in de dagbladen aanvankelijk de bábí’s de schuld. Maar via ingezonden brieven naar The Times en de Daily News weerspreekt de Britse oriëntalist prof. Edward G. Browne (foto 1919) dat zij achter de moord zouden zitten. Zijn correctie wordt ook in diverse Nederlandse kranten gepubliceerd, zoals:

Provinciale Drentsche en Asser Courant 16 mei 1896:
— “In de Daily News schrijft de heer Edward G. Browne van het Pembroke-College der Cambridge Universiteit niet te geloven, dat de Bábí’s de hand hebben gehad in de moord op de Sjah; immers deze sekte heeft getrouwelijk, overeenkomstig de aanmaningen van hare leiders, vervolgingen verduurd, de wetten gehoorzaamd en vastgehouden aan hun beginsel, dat het ‘beter is gedood te worden dan zelf te doden’. De schrijver van het artikel gelooft echter zeker, dat de politieke drijver, sheik Jamálu’d-Dín, op het ogenblik te Constantinopel wonende en wiens hoofddoel is de oude macht van de Islam te herstellen, de Mohammedaanse volkeren te verenigen en Europese invloed te keren, in zekeren zin medeplichtig is aan de misdaad. Met de Bábí’s heeft hij echter niets te maken en hij pleegt te klagen, dat hun opgaan in hun eigen zuiver geestelijke idealen hen verhindert enig belang te stellen in politieke hervormingen. Waarschijnlijk heeft echter, volgens de heer Browne, ook de sheik niet onmiddellijk tot de moord opgehitst, maar heeft zijn agitatie toch een dweper er toe gebracht om het plan er toe op te vatten.” —

De Telegraaf 2 juni 1896:
— “Naar men weet, wordt de dood van de onlangs vermoorde Sjah van Perzië, Násiri’d-Dín, gesteld op rekening van de Bábí’s, een godsdienstige sekte. Násiri’d-Dín had deze sekte vervolgd en zelfs voor enige jaren een paar harer leiders ter dood laten brengen. Uit haat werd dientengevolge de Sjah door een van de fanatieke belijders dezer sekte vermoord.
Aldus luidt de lezing, welke aangaande Násiri’d-Dín’s dood wordt gegeven, maar die nu zeer beslist wordt tegengesproken in de New Review door de heer E. G. Browne, een Engelsman, die geruime tijd in Perzië vertoefde.
Volgens de heer Browne is het zeer onwaarschijnlijk, dat de Bábí’s iets met de moord te doen hebben gehad, want gedurende de laatste jaren was Násiri’d-Dín hun vrij gunstig gezind, terwijl het daarentegen bekend was, dat, zij niets van zijne zonen te wachten hadden.
Veeleer is de moord toe te schrijven aan de algemene politieke ontevredenheid, welke in Perzië bestond. Deze ontevredenheid werd bevorderd door buitenslands gedrukte couranten en door de welsprekendheid van de beruchte Sjeik Jamálu’d-Dín, de aanvoerder van diegenen, die in Perzië de Islam willen herstellen. In 1891 verleende de Sjah een tabak-concessie aan een Engelse maatschappij. Daardoor ontstond onder het volk alom grote ontevredenheid, vooral onder de lagere klassen, voor welke tabak een der weinige weelde-artikelen is, die zij zich kunnen veroorloven.
De priesters schaarden zich aan de zijde van het volk en eindelijk werd de Sjah genoodzaakt de concessie te herroepen.
Sedert dien tijd verzette Jamálu’d-Dín zich zeer heftig tegen hetgeen hij ‘het schrikbewind in Perzië’ noemde. Hoewel hij zelf onschuldig is aan Násiri’d-Dín’s dood, heeft hij toch een beweging doen ontstaan, welke hij niet bij machte was te breidelen. Het doel dezer beweging is alle Mohammedaanse volkeren te verenigen tot één groot volk, de oude macht en roem van de Islam te herstellen en zich te verzetten tegen het steeds verder doordringen der westerse volkeren in Azië.
De steeds toenemende invloed der Engelsen en Russen in Perzië heeft derhalve meer bijgedragen tot Násiri’d-Dín’s moord, dan de haat der fanatieke Bábí’s.” —

Dat Edward Browne gelijk had bleek o.a. uit het feit dat er dit keer, in tegenstelling tot de nasleep van de aanslag van 1852, geen grootschalige vervolgingen plaatsvonden. De Perzische autoriteiten wisten blijkbaar heel goed dat noch de dader, noch zijn inspirator, tot de Bábí-Bahá’í-gemeenschap behoorden.

 

Lees ook: Edward Browne ontmoet ‘Abdu’l-Bahá in Akka en Edward Brown ontmoet Bahá’u’lláh

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis