Eerste Nederlandse Nieuwsberichten over babis

Eerste Nederlandse Nieuwsberichten over bábís

De Nederlander, nieuwe Utrechtsche courant, 5 februari 1851

Vanaf 1844 was er in Perzië (Iran) een messiaanse hervormingsbeweging opgekomen rond een zekere Siyyid ‘Alí-Muhammad, een jongeman uit Shiraz die zich de Báb (Poort) noemde. In dit "Babisme" zag men uit naar de komst van “Hem-Dien-God-zal-openbaren”. De Báb werd spoedig gearresteerd op beschuldiging van ketterij. Ook zijn volgelingen, bábís genoemd, kregen het zwaar te verduren. In 1851, nog geen jaar nadat de Báb in Tabriz was gefusilleerd, verscheen er in de Nederlandse pers voor het eerst een kort (en geïsoleerd) bericht over hen. Zo meldde De Nederlander op 5 februari:

 
“Het half officiële Journal de Constantinople deelt het volgende bericht mede uit Erzurum dd. 21 Dec. jl. De sekte der bábís, die een ergerlijk materialisme beleed, ronduit het bestaan van God ontkennende en geen andere wetten erkennende dan die door hun eigen hoofden waren uitgevaardigd, is geheel vernietigd. Sedert twee jaren werden die weerspannige materialisten door de Perzische Regering vervolgd. De bábís, die openlijk in Perzië bleven, nadat het hoofd dezer nieuwe godsdienstige sekte, geheten Báb van Shiraz, te Tauris (Tabriz) was ter dood gebracht, hadden zich verschanst in een wijk der kleine stad Zanjan. De Perzische generaal, bloedvergieting willende vermijden, zocht hen eerst door honger te bedwingen; maar vernemende dat de Regering, de trage voortgang moede, hem wilde vervangen, gaf hij dadelijk bevel die wijk met geweld te overmeesteren. Na een hevig gevecht van twee uren, werd dan ook de gehele wijk vernield en in as gelegd; vele bábís kwamen, dapper strijdende, om; en het overschot viel in handen der overwinnende troepen, welke een grote dienst aan de Aziatische burgermaatschappij bewezen hebben door de laatste der bábís uit te roeien.”
 
Maar de “sekte der bábís” was niet “geheel vernietigd”. Dat bleek anderhalf jaar later, toen enkele bábís in Teheran een aanslag op de Sjah te pleegden. De Nieuwe Rotterdamsche Courant (16 oktober 1852) schreef:
 
“Er bestaat in Perzië, sedert enige jaren, een godsdienstige sekte, bábís geheten, die aan de verplaatsing der ziel uit het ene lichaam in het andere (metempsychosis) geloven en noch het gezag van de Koran, noch dat van Mohammed en de 12 Imans erkennen. Alleen de twaalfde imam, Sáhib al-Zamán, waarvan Báb, hun opperhoofd, slechts de plaatsvervanger is, kennen zij gezag toe. Naar wen wil, belijden zij een soort van communistische leer en passen die ook op hun vrouwen toe. Zij achten zich, ten gevolge van hun stelsel, betrekkelijk de zielsverhuizing, onsterfelijk en verachten derhalve het leven. Men schat het aantal bábís op 50.000. Sedert 1847, in de provincie Mazanderan, in openlijke opstand tegen het gezag van de Sjah van Perzië zijnde, hebben zij sedert maanden hem weerstand geboden. Acht bábís, naar Teheran gevankelijk overgebracht, hebben de hen door de Sjah aangeboden genade niet willen aannemen, vermits zij die met de afstand van hun leerstellingen bekopen moesten, zodat dan ook allen werden ter dood gebracht, zonder dat zij iets daarvan afgeweken zijn. In de morgen van de 15de Augustus l.l., te 8 ure. wierpen zich drie bábís, vast besloten om hun meester, de beruchte Báb, die bereids herhaalde malen tot bloedige tonelen in Perzië heeft aanleiding gegeven, op de Sjah, in de ogenblik dat hij te paard wilde stijgen, tot het houden ener jachtpartij, en losten pistoolschoten op hem, waardoor hij echter slechts lichtelijk gewond werd. Een der moordenaars werd onmiddellijk door de wacht en de officieren van de Sjah om het leven gebracht, terwijl de twee anderen in hechtenis werden genomen. Tegen beiden is een rechtsgeding ingesteld. Naar men verzekert, hebben zij driehonderd medeplichtigen, die gezworen hebben de vorst te zullen doden. Deze moordaanslag heeft schrik door het gehele land verspreid, doch tot nog toe werd er geen nieuwe poging tot zulk een misdrijf gedaan. Een aantal personen, van de medeplichtigheid overtuigd, zijn ter dood veroordeeld en geëxecuteerd; doch men is er nog niet in geslaagd om al de vertakkingen van het komplot te ontdekken.”
 
In de daaropvolgende 40 jaar was dit ongeveer alle informatie over de bábís en hun ideeën waarmee het algemene publiek in Nederland het moest doen. Slechts een handjevol Nederlandse handelsagenten, zoals de broers Collignon uit Rotterdam, zouden er in die periode in Perzië achter komen dat de “Bábí kwestie” genuanceerder lag dan deze eerste persberichten deden vermoeden.

Zanjan eind 19de eeuw

Zanjan eind 19de eeuw

Jelle de Vries: The Babi Question You Mentioned ... ; The Origins of the Bahá'í Community of the Netherlands, 1844-1962. - Leuven 2002

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis