Johan Collignon in Isfahan

Johan Collignon

Johan Collignon

De Rotterdamse ondernemer Johannes Hendrikus Collignon (1854-1924) was in 1879 nog maar net in Isfahan aangekomen toen twee van zijn belangrijkste handelsrelaties, de broers Siyyid Muhammad-Hasan en Siyyid Muhammad-Husayn, op het Koningsplein werden geëxecuteerd. Een vriend van hem schreef daarover:

“Zij waren twee gerespecteerde kooplieden, waartegen de Imám-i-Jum’ih, of hoogste geestelijke autoriteit van Isfahan, om geldelijke redenen een wrok had opgevat. Dat zij in het geheim babis [bahá’ís] waren, lijkt niet te worden ontkend; maar er zijn duizenden babis in het rijk van de Sjah, en niemand had ooit beweerd dat deze twee mannen geen rustige en trouwe onderdanen waren. De Imám-i-Jum’ih, echter, riep de geest van fanatisme onder de mullah’s en hun volgelingen op, terwijl respectabel Isfahan hulpeloos toekeek. De twee ongelukkige mannen werden gekneveld voor de Prins [gouverneur] geleid, in de aanwezigheid van de belangrijkste handelaren voor dat doel bijeengeroepen. De heer Collignon was zelf getuige van deze scene. Hij stond direct op en vatte de gevangenen bij de hand, hen toesprekende zoals hij gewoon was te doen in de dagen hunner vrijheid. Zij huilden, en vroegen de andere kooplieden welk oneervolle daad zij hadden begaan dat hun oude vrienden en broeder-kooplieden zich zo afzijdig hielden. Een voor een volgden de handelaren, door schaamte bewogen, het voorbeeld van de heer Collignon, en voordat de bijeenkomst uit elkaar ging had de Prins beloofd dat de mannen geen kwaad zou worden gedaan. Maar de mullah’s keerden terug, haalden de Prins over, en hun slachtoffers werden [alsnog] ter dood gebracht.”
 
In 1890 was Collignon opnieuw getuige van de onrechtvaardige behandeling van bahá’ís. In een brief aan de kersverse Nederlandse Consul-Generaal in Teheran schreef hij:
 
"Isfahan 12 April 1890 - Waarde Heer Knobel, […] De Babi questie door u vermeld heeft zich als volgt toegedragen: een 20 tal boeren van het dorp Benasfahan ca. 2 farsagh van hier, moesten voor ongeveer een jaar het dorp verlaten, daar zij door de mullahs en andere boeren beschuldigd werden Babis te zijn, zij begaven zich [naar] Teheran en bij de terugkomst van den Shah verkregen een bevel van Zijne Majesteit, naar hun dorp te mogen terugkeren en niemand het recht had, hen lastig te vallen.
Bij aankomst hier, wilden enige der voornaamste mullahs hen direct gevangen nemen en ter dood veroordelen, het gouvernement nam hen echter in bescherming en op kracht van het bevel van den Shah, gaf hen een escorte van ferashes [gerechtsdienaren], om naar hun woningen terug te gaan.
Intussen hadden de Mullahs van Isfahan, de boeren van Benasfahan dermate opgeruid en hun doen weten, dat het afmaken dezer Babis, noodzakelijk was, en zij alle verantwoording op zich namen, dat de bewoners van dit dorp alle met knuppels, hooivorken etc. gewapend, op weg gingen, de ferashen van het gouvernement verjaagden en 8 dezer ongelukkige Babis doodsloegen, hunne lijken verminkten en verdere gruwelen begingen.
De 12 andere Babis, ontvluchtten naar Djoulfa werden ca. 14 dagen in het huis van een missionair voor de Joden, Mr. Nouroulah genaamd, verborgen en aan de woede van het volk onttrokken.

[…] Vertrouwende u van mijne berichten met discretie gebruik zult maken, verblijf ik, met beleefde groeten, hoogachtend, J.H. Collignon."

 

Johan Collignon keerde in 1896 met zijn gezin naar Nederland terug. Hij bleef echter actief in de handel met Perzië en later ook China. In 1912 verleende de Sjah hem het groot-officierskruis 2e klasse in de orde van de Leeuw en de Zon. Collignon overleed te Den Haag.

Brief Collignon aan Knobel, 12 april 1890

Brief Collignon aan Knobel, 12 april 1890

Koningsplein in Isfahan, c. 1890

Koningsplein in Isfahan, c. 1890

Jelle de Vries: The Babi Question You Mentioned ... ; The Origins of the Bahá'í Community of the Netherlands, 1844-1962. - Leuven 2002

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Nederlandse geschiedenis