Leo Tolstoy en de Baha'i Beweging

Leo Tolstoy

Leo Tolstoy

Volgens Valentin Bulgakov, secretaris van Graaf Leo Tolstoy gedurende de laatste vier jaar van diens leven, had zijn werkgever het Bahá’í-geloof leren kennen via het toneelstuk De Báb dat in januari 1904 in St Petersburg in premiere was gegaan. ‘Graaf Tolstoy las het drama De Báb met grote belangstelling en zond een brief aan mevrouw Grinevskaya waarin hij haar werk prees en zijn sympathie uitsprak voor de leringen van de Bahá’í Beweging’, aldus Bulgakov in een interview met de Amerikaanse journalist en bahá’í Martha Root in 1927.

Maar de secretaris vergist zich, want in de betreffende brief schrijft Tolstoy ondermeer: — ‘Ik ken de bábís al lange tijd en ben erg geïnteresseerd in hun leringen. Me dunkt dat zij een grote toekomst voor zich hebben … want zij hebben de kunstmatige constructies weggedaan die de godsdiensten van elkaar scheiden, en trachten de gehele mensheid in één religie te verenigen … En daarom sympathiseer ik van ganser harte met het Babisme.’ —

De dan al wereldberoemde auteur van Oorlog en Vrede (1867) en Anna Karénina (1877) heeft niet alleen al in 1894 voor het eerst van het Bahá’í-geloof gehoord; hij kent in 1902 ook al tenminste één volgeling van deze nieuwe godsdienst persoonlijk.

Als Tolstoy in februari 1901 door de Russisch Orthodoxe Kerk wordt geëxcommuniceerd is dat wereldnieuws. In Nederland schrijven de kranten: — ‘De Russische Synode heeft bekend gemaakt, dat graaf Leo Tolstoy gebannen is uit het orthodoxe kerkverband, omdat hij zich in woord en geschrift heeft afgescheiden van de orthodoxe leer. De Synode zal hem niet langer als lidmaat van de kerk beschouwen voordat hij boete heeft gedaan, en spreekt in zijn rescript de bede uit dat God de afgedwaalde zoon in de schoot der kerk moge terugvoeren.’ —

Echtgenoot Gravin Sofya Tolstoy reageert met een afkeurende open brief aan de Procureur der Heilige Synode. Daarin schrijft zij ondermeer: — ‘Deze excommunicatie zal niet de instemming, maar de verontwaardiging der mensen opwekken en Lev Nicolajewitsj [Tolstoy] meer liefde en meer sympathie doen toestromen. Wij ontvangen nu reeds de bewijzen van die gevoelens en zij zullen in lange tijd niet ophouden tot ons te komen uit alle landen der wereld.’ —

En zo gaat het inderdaad. Het aantal reacties is zo groot dat Tolstoy in april een Antwoord geeft. Hij verwerpt de rechtmatigheid en rechtvaardiging van het oordeel en legt uit wat zijn overtuiging is.— ‘Waar ik in geloof is God, die ik als Geest begrijp, als Liefde, en als het begin van alles. Ik geloof dat Hij in mij is en ik in Hem. Ik geloof dat Gods wil het duidelijkst en begrijpelijkst wordt uitgedrukt in de leer van de mens Christus, maar ik beschouw het als de grootste godslastering om hem als God te begrijpen en om tot hem te bidden. Ik geloof dat het grootste waarachtig goede van de mens de vervulling van Gods wil is. En het is Zijn wil dat mensen elkaar liefhebben, en daarom zouden zij anderen moeten behandelen zoals zij willen dat anderen hen zouden behandelen. Er staat inderdaad in het Evangelie dat dit ‘alle Wet en profeten is’ [de hele Heilige Tekst]. Ik geloof dat de betekenis van het leven van elke mens daarom alleen de versterking van liefde in zichzelf is; dat deze versterking van liefde de individuele mens naar een steeds groter goed in dit leven leidt en ook een groter goed na de dood geeft; dat naarmate de liefde in de mensheid toeneemt, de bestaande onenigheid, bedrog en geweld plaats zullen maken voor vrije overeenstemming, waarheid en naastenliefde; en dat deze liefde meer dan iets anders bijdraagt ​​aan de vestiging van het Koninkrijk van God op aarde. Ik geloof dat er maar één middel is om in liefde te slagen, en dat is gebed, geen openbaar gebed in tempels, wat door Christus rechtstreeks werd verboden, maar zoals Christus ons tot voorbeeld heeft gegeven: individueel gebed, dat bestaat in het vaststellen en versterken in ons bewustzijn van de zin van ons leven en onze onafhankelijkheid van alles behalve Gods wil.

Of mijn overtuiging iemand beledigt, pijn doet, in verleiding brengt, in de weg zit, of mishaagt — ik kan haar net zomin veranderen als ik mijn lichaam kan veranderen. Ik moet zelf leven en zelf sterven (en waarschijnlijk al heel snel), en dus kan ik absoluut niet anders geloven dan zoals ik dat nu doe, terwijl ik mij klaarmaak om naar God terug te keren uit wie ik ben voortgekomen. Ik geloof niet dat mijn overtuiging voor altijd onveranderlijk en onbetwistbaar waar is, maar ik zie geen andere die eenvoudiger en duidelijker is, en die voldoet aan alle eisen van mijn geest en hart. Wanneer ik zo’n geloof vind, zal ik het meteen accepteren, omdat God niets dan de waarheid nodig heeft. Maar ik ben evenmin in staat om terug te keren naar dat waaruit ik zojuist met veel moeite ben voortgekomen, net zoals een vliegende vogel niet meer de schaal van het ei waaruit zij voortkwam kan binnengaan.’ —

In 1902 stuurt ‘Abdu’l-Baha een prominente bahá’í, Mirza ‘Aziz’u’lláh Jazab, naar Yasnaya Polyana het landgoed van de schrijver zo’n 200 kilometer ten zuiden van Moskou. Tijdens dat bezoek in september 1902 vraagt de gezant aan Tolstoy wat zijn mening is over Bahá’u’lláh. Met opgeheven handen antwoordt die: — ‘Hoe kan ik Hem verloochenen? [...] Het is duidelijk dat deze Zaak de hele wereld zal overwinnen. Ikzelf heb Mohammed al geaccepteerd.’ En hij voegde daaraan toe: ‘Stuur me meer geschriften.’ — Uit deze uitspraken kan natuurlijk niet worden geconcludeerd dat Tolstoy zichzelf als een bahá’í zag, of zich tot de Islam had bekeerd. Maar waarschijnlijk weet hij op dat moment al wel dat bahá'ís de Grondleggers van alle grote wereldreligies aanvaarden als Manifestaties van de Ene God, de Schepper van het Universum.

Tot zijn dood in 1910 correspondeert Tolstoy met meerdere bahá’ís, waaronder Hippolyte Dreyfus in Frankrijk, Dr. Yúnis Khán-i-Afrúkhtih en ‘Ali-Akbar Nakhjavání in Perzië, Gabriel Sacy in Egypte en Mary Thornburgh-Cropper in Groot-Brittannië.

In die jaren zal Tolstoy zich overwegend positief over het Bahá’í-geloof uitlaten. Zoals bijvoorbeeld in 1901: — ‘Ik geloof dat er overal mensen zijn die, net zoals bij u in Perzië het geval is met de bábís, het ware geloof belijden. En dat ondanks de vervolgingen, waaraan deze mensen altijd en overal bloot staan, hun ideeën zich steeds verder verbreiden, en uiteindelijk zullen triomferen over de barbarij en wreedheid van de regeringen, en bovenal over het bedrog waarin die hun bevolking trachten vast te houden.’ — Of in 1908: — ‘De leer van de bábís komt tot ons uit de Islam, heeft zich via het Bahaïsme geleidelijk ontwikkeld en schenkt ons nu de hoogste en zuiverste vorm van religie.’ —

Toch moet men hierbij niet vergeten dat Tolstoy sommige bahá’í opvattingen in strijd acht met zijn eigen gekoesterde idealen. Dat leidt soms tot kritische uitlatingen, zoals in een brief aan Dreyfus (1904) en aan Nakhjavání (1909). Tolstoy’s soms harde woorden lijken vooral gericht op de bahá’í lering dat de mens zijn Schepper niet direct kan kennen, maar slechts door middel van Zijn opeenvolgende Manifestaties, de Stichters van de grote wereldgodsdiensten. Hierbij lijkt Tolstoy soms meer op zijn scherpe verstand te vertrouwen dan hij zelf raadzaam acht.

Toen de Russisch sprekende bahá’í Mirza ‘Ali-Akbar Nakhjavání omstreeks 1909 van plan was om contact met Tolstoy op nemen, adviseerde ‘Abdu’l-Bahá hem: — ‘Doe Graaf Tolstoy altijd de liefdevolle en hartelijke groeten, betoon hem de grootst mogelijke hoffelijkheid, want ons werd waarlijk bevolen om ons zo te gedragen. Wellicht wordt hij rechtvaardig. Er zijn tekenen dat zijn houding is verbeterd en gematigd. Hopelijk dat die, zo God het wil, nog verder verbetert en dat hij met rechtvaardigheid over de Zaak zal spreken.’ —

De schrijver leeft in die tijd - zeker gezien zijn sociale positie - een extreem ascetisch leven, waarin hij vooral oppast voor begeerten en overconsumptie, want dat wijst op een gebrek aan zelfrespect. Het zich onthouden van alcohol, tabak en vlees acht hij daarbij een vanzelfsprekendheid. Hij is ervan overtuigd dat men de problemen van het moderne leven alleen het hoofd kan bieden door de juiste levenslessen vast te stellen en die op zichzelf toe te passen. Hij zoekt die levenswijsheid vooral in filosofische en religieuze teksten.

Bulgakov: — ‘Hij [Graaf Tolstoy] had bahá’í-boeken in verschillende talen. Nadat hij het toneelstuk De Báb had gelezen en de Bahá’í Beweging kende, kocht hij elk boek dat hij kon krijgen. Ik herinner mij een foto in een van de Engelse boeken … een foto van een jonge man die er uitzag als Christus en de Stichter van deze beweging was. … Graaf Tolstoy bestudeerde de heilige boeken van alle godsdiensten grondig.’ —

Bulgakov en Tolstoy

Bulgakov en Tolstoy

Yasnaya Polyana 

Yasnaya Polyana

Bronnen - Martha Root: Count Leo Tolstoy and the Baha’i Movement. In: The Baha’i World, 1932-1934 - volume 5; William P. Collins and Jan T. Jasion: Lev Tolstoi and the Bábí and Bahá’í Faiths A Bibliography. In: Journal of Bahá’í Studies Vol. 3, number 3 (1991); Luigi Stendardo: Leo Tolstoy and the Bahá'í Faith — Oxford 1985; Algemeen Handelsblad 11 maart 1901; Algemeen Handelsblad 20 maart 1901.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht