Verkondiging van de Bab

Verkondiging van de Bab

Huis van de Báb in Shiraz

In de woorden van Shoghi Effendi

De 23-ste mei 1844 luidt de woeligste periode in van het heroïsche tijdvak van het Bahá'í tijdperk, een tijdvak dat de aanvang aangeeft van de meest glorieuze episode in de grootste cyclus, die de geestelijke geschiedenis der mensheid ooit te zien heeft gegeven. Niet langer dan de kortste spanne tijds van negen jaren heeft deze meest in het oog lopende, deze meest tragische, deze zo zeer bewogen periode van de eerste Bahá'í eeuw geduurd. Ze werd ingeluid door de geboorte van een Openbaring welker Brenger het nageslacht zal begroeten als het "Punt waaromheen de waarheden van de Profeten en Boodschappers wentelen" en die eindigde met de schuchtere aanduiding van een nog krachtiger Openbaring "waarvan", zoals Bahá'u'lláh Zelf bevestigt, "iedere Profeet de dag heeft aangekondigd", waarnaar "de ziel van iedere goddelijke Boodschapper heeft gedorst", en waardoor "God de oprechtheid van Zijn ganse schare Boodschappers en Profeten op de proef heeft gesteld". […]

De ouverture van de eerste acte van dit grote drama speelde zich af in een kamer op de eerste verdieping van het bescheiden woonhuis van een koopman in Shiraz, in een duistere hoek van de stad. Het was het uur voor zonsondergang van de 22-ste mei 1844. De hoofdpersonen waren de Báb, een vijfentwintigjarige siyyid van zuivere en heilige afkomst, en de jonge Mullá Husayn, de eerste die in Hem zou geloven. Hun ontmoeting voorafgaand aan hun onderhoud, leek zuiver toevallig te zijn. Het onderhoud zelf zette zich voort tot zonsopgang. De Gastheer had met Zijn gast een geheim onderhoud in die kamer, en de slapende stad had geen flauw idee van het belang van het gesprek dat deze twee met elkaar voerden. Er is niets over deze heel bijzondere nacht voor het nageslacht bewaard gebleven dan alleen het fragmentarische, maar in hoge mate verhelderende verslag uit de mond van Mullá Husayn.

"Ik zat daar als betoverd door Zijn woorden, de tijd vergetend en ook hen die op mij wachtten", heeft hij getuigd, nadat hij de aard van de vragen had beschreven, die hij zijn Gastheer had gesteld, en de overtuigende antwoorden die hij van Hem had gekregen; antwoorden die, zonder enige twijfel, de geldigheid hadden bewezen van Zijn aanspraak de Beloofde Qá'im te zijn. "Plotseling wekte de roep van de mu'adhdhin, die de gelovigen tot hun ochtendgebed opriep, mij uit een toestand van extase, waarin ik blijkbaar was geraakt. Alle verrukkingen, alle onuitsprekelijke heerlijkheden, waarvan de Almachtige in Zijn Boek heeft verhaald als de onschatbare bezittingen van het volk van het paradijs, leek ik die nacht te ervaren. Het kwam mij voor alsof ik op een plaats was, waarvan met recht gezegd kan worden: 'Daar zal geen slavenarbeid ons deel zijn en daar zal geen vermoeidheid ons belagen'; 'geen ijdel gepraat zullen zij daar horen, noch enige onwaarheid, doch slechts de roep "Vrede! Vrede!"'; 'hun roep zal daar zijn "Verheerlijkt zijt gij, O God!" en hun begroeting "Vrede!" en het einde van hun roep zal zijn, "Ere zij God, de Heer van alle schepselen!"'. Slaap had ik die nacht in het geheel niet. Ik was geboeid door de muziek van die stem die bij het zingen van de gebeden rees en daalde, nu eens aanzwellend terwijl Hij de verzen uit de Qayyúmu'l-Asmá' onthulde, dan weer overgaand in etherische, subtiele harmonieën terwijl Hij de gebeden opzegde die Hij openbaarde. Aan het eind van iedere aanroep herhaalde Hij dit vers, 'Verre van de heerlijkheid van Uw Heer de Alglorierijke, zij dat wat Zijn schepselen van Hem bevestigen. En vrede zij met Zijn Boodschappers! Ere zij God, de Heer van alle wezens!'

En verder heeft Mullá Husayn getuigd, "Deze Openbaring, die zo plotseling en onstuimig op mij afkwam, kwam als een donderslag die mij voor enige tijd leek te hebben verlamd. Ik was verblind door deze schitterende pracht en overstelpt door de verpletterende kracht. Opwinding, vreugde, ontzag en verbazing ontroerden mij tot in het diepst van mijn ziel. Wat bij deze emoties de overhand had was een gevoel van blijdschap en kracht, dat als het ware een geheel ander mens van hij maakte. Hoe zwak en onmachtig, hoe neerslachtig en verlegen had ik mij tevoren gevoeld! Toen kon ik schrijven noch lopen, zo beverig waren mijn handen en voeten. Nu echter had de kennis van deze Openbaring mijn wezen tot nieuw leven gewekt. Ik voelde mij dermate doordrongen van moed en kracht dat ik in staat was geweest een aanslag van de gehele wereld en al haar mensen en heersers alleen en onverschrokken te weerstaan, indien zij tegen mij in het geweer waren gekomen. Het heelal leek maar een handvol stof in mijn greep. Het leek of ik de stem van Gabriël vertegenwoordigde en het hele mensdom kon toeroepen, "Ontwaakt, want voorwaar, het morgenlicht is doorgebroken! Staat op, want Zijn Zaak is geopenbaard. De poort tot Zijn genade staat wijd open; treedt binnen, o volkeren van de wereld! Want Hij Die u beloofd werd is gekomen!""

Verkondiging van de Báb

Huis van de Báb in Shiraz

Bron - Shoghi Effendi: God Schrijdt Voorbij — Den Haag 1983

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht