William Cormick ontmoet de Bab

William Cormick

William Cormick (1819-1877) werd in Tabriz (Iran) geboren. Hij was de zoon van een Armeense moeder en een Ierse vader, arts aan het Perzische hof. Cormick ging naar de middelbare school in Engeland. Na zijn studie geneeskunde in Londen keerde hij in 1844 naar Perzië terug. Toen kroonprins Násiri’d-Din Mírzá in januari 1848 werd benoemd tot gouverneur van Azerbeidzjan vergezelde hij hem als lijfarts naar de provinciehoofdstad Tabriz. In de maand juli van datzelfde jaar ontmoette hij daar de Báb. Over die ontmoeting schreef hij (in c. 1861):

— U vroeg mij naar enkele bijzonderheden van mijn ontmoeting met de stichter van de sekte die bekend staat als babi’s. Tijdens deze ontmoeting deed zich niets van enige betekenis voor, daar de Báb zich ervan bewust was dat ik met twee andere Perzische artsen was ontboden om te zien of hij gezond van geest was of slechts een krankzinnige, en zo de vraag te beslechten of hij al dan niet ter dood moest worden gebracht. Met deze kennis was hij niet genegen de aan hem gestelde vragen te beantwoorden. Op alle vragen bezag hij ons slechts met een milde blik, terwijl hij met een zachte melodieuze stem enkele verzen voordroeg; naar ik meen. Twee andere siyyids, zijn goede vrienden die uiteindelijk samen met hem ter dood zouden worden gebracht, waren ook aanwezig naast een aantal regeringsfunctionarissen. Slechts één keer was hij bereid mij te antwoorden toen ik zei dat ik geen moslim was en graag iets over zijn religie te weten wilde komen, daar ik wellicht genegen was haar aan te nemen. Hij keek mij zeer aandachtig aan toen ik dit zei en antwoordde dat hij er geen twijfel over had dat alle Europeanen zijn religie zouden aanvaarden.
Ons verslag aan de Sjah was indertijd van dien aard dat zijn leven zou worden gespaard. Hij werd enige tijd later [toch] ter dood gebracht op bevel van de Eerste Minister, Mírzá Taqí Khán. Op grond van ons verslag kreeg hij alleen de bastonnade, waarbij een gerechtsdienaar hem, al dan niet met opzet, in het gelaat sloeg met de stok die bestemd was voor zijn voetzolen. Dit veroorzaakte een grote wond en zwelling van het gelaat. Op de vraag of er een Perzische chirurg moest komen om hem te behandelen, gaf hij te kennen dat ik moest komen en zodoende behandelde ik hem voor enkele dagen. Maar in de hieruit voortkomende ontmoetingen kon ik hem nooit zover krijgen om een vertrouwelijk praatje met mij te maken, daar er altijd een paar regeringsmensen aanwezig waren en hij een gevangene was.

Hij was zeer dankbaar voor mijn zorg. Hij was een erg zachtaardige en fijngebouwd uitziende man, tamelijk klein van gestalte, zeer licht van huidskleur voor een Pers, en met een melodieuze zachte stem, die mij zeer trof. Als siyyid was hij gekleed volgens de gebruiken van die sekte, zo ook zijn twee metgezellen. In feite was zijn hele verschijning en voorkomen innemend. Over zijn leer hoorde ik niets uit zijn eigen mond, hoewel het idee bestond dat er in zijn religie een zekere toenadering bestond tot het Christendom. Een aantal Armeense timmerlieden, die waren ontboden om herstelwerkzaamheden te verrichten in zijn gevangenis, zagen hem de Bijbel lezen, en hij deed geen moeite om dat te verhullen. Hij vertelde het hen zelfs. Zeer zeker komt het moslim fanatisme ten aanzien van christenen in zijn religie niet voor. En de hedendaagse beperking van de vrouw evenmin. —

 

William Cormick ontmoet de Báb

Huis van de Báb in Shiraz

Bronnen - Moojan Momen: The Bábí and Bahá’í Religions, 1844-1944; Some Contemporary Western Accounts. — Oxford 1981; Portretfoto via Brendan McNamara en Vincent Flannery.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht