Donkere wolken boven Tabriz

Donkere wolken boven Tabriz

Zicht vanaf het poortgebouw van de citadel (foto 1911)

In september 1848 overlijdt Muhammad Sháh. Hij wordt opgevolgd door de 17-jarige kroonprins Násiri’d-Dín. De functie van eerste minister gaat daarbij over op Mirzá Taqí Khán Amír Kabír. Kort daarop (januari 1849) breken er in Mázindarán (Tabarsí) gewelddadigheden uit tussen bábís en hun tegenstanders. De centrale overheid is bang voor een opstand en keert zich tegen de ‘sektariërs’. Velen van hen, waaronder prominenten als Mullá Husayn en Quddús, vinden in Tabarsí de dood.

De Báb is dermate aangedaan door de berichten van vervolging — Hij noemt Chihríq de ‘Berg van Smart’ — dat men Hem niet ook nog durft te vertellen dat Zijn pleegvader een van de zeven martelaren is die hebben geweigerd om hun geloof af te zweren en in februari 1850 in Teheran op last van de eerste minister, onder grote publieke belangstelling, zijn onthoofd.

De kracht van het bábí-verzet in Tabarsí en het besef dat de gebeurtenissen zich in mei lijken te gaan herhalen in Nayríz en Zanján, brengen de eerste minister ertoe om ‘de storm die het geloof van de Siyyid-i-Báb heeft veroorzaakt in het hart van mijn landgenoten’ bij de bron aan te pakken. Begin juni doet hij naar de gouverneur van Azerbaijan, Prins Hamzih Mírzá, het bevel uitgaan om ook de Báb, in het openbaar ter dood te brengen.

Slechts enkele dagen voordat de Báb naar Tabriz zal worden afgevoerd, ziet een tolk-verkenner van het Russische consulaat-generaal in die stad hoe het optreden van de Gevangene nog steeds veel belangstellenden trekt. Hij rapporteert:

— ‘In de maand juni 1850, na voor mijn zaken Chihríq te hebben bereikt, zag ik een bovenverdieping van waaraf de Báb Zijn Leer verkondigde. De menigte was zo groot dat de binnenplaats niet ruim genoeg was om alle toehoorders plaats te bieden; de meerderheid bleef op de weg staan en luisterde geboeid naar de nieuwe Qur’án.’ —

— M. Mochenin

Geëscorteerd door een afdeling cavalerie komt de Báb op 19 juni 1850 vanuit Chihríq in de provincie-hoofdstad aan. Daar wordt Hij (opnieuw) vastgezet in de citadel. Die burcht bestaat uit een vierkante ‘uitstulping’ van de zuidelijke stadsmuur. Op het terrein van circa 200 bij 200 meter bevinden zich o.a. een groot plein, een kazerne, een arsenaal en de woning van de commandant. Aan de zuidkant heeft de citadel een indrukwekkend, maar vervallen, rechthoekig poortgebouw dat met een hoogte van 28 meter al van verre te herkennen is.

Wanneer zowel de gouverneur als de geestelijken van Tabriz aarzelen om het door Eerste Minister Amir Kabir uitgesproken doodsvonnis te bekrachtigen en ten uitvoer te brengen - men kent de populariteit van de Báb en heeft Hem twee jaar eerder nog ontoerekeningsvatbaar verklaard - belast de eerste minister zijn eigen broer Mírzá Hasan Khán, bevelhebber van het leger in Azerbaijan, met die taak. Onder diens druk gaan de rechtsgeleerden alsnog akkoord met de ratificatie.

In de ochtend van 9 juli 1850 wordt de Báb, zonder tulband, mantel en schoeisel - men wil niet dat Hij aan Zijn kleding herkenbaar is als een siyyid, een afstammeling van de Profeet Muhammad - door de verschillende wijken van de stad gevoerd. Bij de woningen van de drie hoogste islamitische rechtsgeleerden houdt men halt voor hun individuele ondertekening van het doodvonnis.

Tegen het middaguur is de Báb weer terug in de citadel en krijgt de commandant ter plaatse opdracht om Hem op het kazerneplein te fusilleren. Die opdracht brengt de 74-jarige kolonel Sám Khán in grote gewetensnood. Hij woont al bijna zijn hele leven in Perzië, maar Sám Khán is van oorsprong een Rus en heet eigenlijk Samson Jakovlev Makintsev. In 1802 was hij met een aantal metgezellen gedeserteerd uit het leger van de Tsaar en overgelopen naar de Perzen. In de daaropvolgende jaren had hij de mogelijkheid gekregen om een eigen regiment te vormen en aan te voeren. Door hun goede reputatie hadden Sám Khán en zijn manschappen kunnen bedingen dat hun Bahádurán Regiment (regiment der moedigen), dat naast Russische deserteurs geheel bestond uit Armeense en Nestoriaanse christenen, nooit zou worden ingezet tegen mede-christenen. De vraag wierp zich nu op of de Báb niet óók een soort christen was? Armeense werklieden in Chihríq hadden gezien dat de Gevangene openlijk de Bijbel las …

Donkere wolken boven Tabriz

Poortgebouw (zicht naar het noord-oosten)

Donkere wolken boven Tabriz

Citadel van Tabriz (zicht naar het zuid-oosten)

Donkere wolken

Zicht op Tabriz vanaf de citadel (1911)

Kazerneplein bij de citadel van Tabriz

Bronnen — Guy Murchie: ‘Mah-Kuh and Tabriz, imprisonment and martyrdom.’ In: Bahá’í News, volume 6, july 1966; Abbas Amanat: Resurrection and Renewal, The Making of the Babi Movement in Iran, 1844-1850 - Ithaca and London 1989; Stephanie Cronin [ed]: Iranian-Russian Encounters: Empires and Revolutions Since 1800. - Abingdon 2013; Rudi Matthee en Elena Andreeva [ed]: Russians in Iran, Diplomacy and Power in the Qajar Era and Beyond - London 2018; Moojan Momen [ed]: The Bábí and Bahá’í Religions 1844-1944, Some Contemporary Western Accounts - Oxford 1981.

Lees ook: Terechtstelling van de Báb

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht