De Baha'i-wereld in 1939

Haifa 1939

Britse politie en mariniers in Haifa (1938)

Begin 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, richt de Behoeder zich in een uitvoerige brief, getiteld De Komst van Goddelijke Rechtvaardigheid, tot de bahá’ís van de Verenigde Staten en Canada. In de openingsalinea’s noemt hij het Noord Amerikaanse continent ‘de belangrijkste overgebleven citadel, de machtige arm die nog steeds het vaandel van een onoverwinnelijk Geloof hooghoudt’ en staat hij kort stil bij de zorgelijke situatie waarin de Bahá’í-gemeenschappen van achtereenvolgens Duitsland, Asjchabad, Iran en Palestina zich op dat moment bevinden.

Shoghi Effendi: — ‘In het hart van het Europese continent is een gemeenschap die, zoals voorspeld door ‘Abdu’l-Bahá, vanwege haar spirituele potentieel en geografische ligging, werd voorbestemd om de pracht van het licht van het Geloof te doen stralen over de landen die haar omringen, tijdelijk verduisterd door de beperkingen die een regime dat haar doel en functie verkeerd heeft begrepen, haar meende te moeten opleggen. Haar stem is nu helaas tot zwijgen gebracht, haar instellingen zijn ontbonden, haar literatuur verboden, haar archieven geconfisqueerd en haar bijeenkomsten geschorst.

In Centraal-Azië, in de stad die de unieke rang bekleed om door ‘Abdu’l-Bahá te zijn verkozen tot thuis voor de eerste Mashriqu’l-Adhkár van de Bahá’í-wereld, alsook in de steden en dorpen van de provincie waartoe zij behoort, is het zwaar geplaagde Geloof van Bahá’u’lláh, als gevolg van de buitengewone en unieke levenskracht die het in de loop van tientallen jaren consequent heeft getoond, overgeleverd aan de genade van krachten die, gealarmeerd door zijn toenemende macht, er nu op uit zijn om hem alle kracht te ontnemen. Zijn tempel, hoewel nog steeds in gebruik voor bahá’í gebedsdoeleinden, is onteigend, haar samenkomsten en comités zijn ontbonden, haar verbreidings-activiteiten ingeperkt, haar voormannen gedeporteerd en niet weinigen van haar meest enthousiaste aanhangers, zowel mannen als vrouwen, gevangen gezet.

In het land van zijn geboorte, daar waar de overgrote meerderheid van zijn volgelingen woont — een land waarvan de hoofdstad door Bahá’u’lláh werd geprezen als de “moeder van de wereld” en de “dageraad van de vreugde der mensheid” — volhardt een civiele overheid, vooralsnog niet officieel gescheiden van de verlammende invloed van een verouderde, fanatieke en ongekend corrupte geestelijkheid, meedogenloos in haar campagne van repressie van de aanhangers van een geloof dat het al bijna een eeuw lang zonder succes tracht te onderdrukken. Onverschillig voor de waarheid dat de leden van deze onschuldige en verboden gemeenschap met recht kunnen beweren te behoren tot de meest belangeloze, de meest competente en de meest fervente liefhebbers van hun geboorteland, en met minachting voor hun hoge gevoel van wereldburgerschap dat voorstanders van een buitensporig en kortzichtig nationalisme nooit zullen kunnen waarderen, weigert deze overheid aan een Geloof dat zijn spirituele jurisdictie uitbreidt over bijna zeshonderd lokale gemeenschappen, en die de aanhangers van ofwel de christelijke, de joodse als de zoroastrische godsdienst in het land in aantal overtreft, het noodzakelijke wettelijke recht te verlenen om zijn wetten te handhaven, zijn zaken te regelen, zijn scholen te leiden, zijn feesten te vieren, zijn literatuur te verspreiden, zijn plechtigheden te eerbiedigen, zijn gebouwen op te richten en zijn bezittingen te beschermen.

En nu hebben recentelijk in het Heilige Land zelf, het hart en zenuwcentrum van een wereldomvattend Geloof, de vuren van raciale vijandigheid, van broederstrijd, en van schaamteloos terrorisme, een vuurzee ontstoken die enerzijds ernstig interfereert met de stroom pelgrims die het levensbloed van dat centrum vormt en anderzijds de verschillende projecten vertraagt die in gang waren gezet in verband met het behoud en de uitbreiding van het gebied rond de Heilige Plaatsen die het in zich herbergt. De veiligheid van de kleine gemeenschap van locale gelovigen, geconfronteerd met het opkomend tij van wetteloosheid, is in gevaar gebracht, haar status als een neutrale en onderscheiden gemeenschap indirect aangevochten, en haar vrijheid om bepaalde religieuze gebruiken in acht te nemen beperkt. Een reeks moorddadige aanvallen, afgewisseld met uitbarstingen van bitter fanatisme, zowel raciaal als religieus, waarbij zowel de leiders als de volgelingen van de drie leidende geloofsovertuigingen in dat verwarde land zijn betrokken, hebben soms gedreigd alle normale communicatie te verbreken zowel binnen haar grenzen als met de buitenwereld. Hoewel de situatie hachelijk is, is aan de Bahá’í Heilige Plaatsen, het voorwerp van de aanbidding van een wereldomvattend Geloof, ondanks hun aantal en kwetsbare positie, en hoewel naar buiten toe schijnbaar verstoken van elke vorm van bescherming, een hulp verleend die aan het wonderbaarlijke grenst.’ —

— Een wereld, verscheurd door tegenstrijdige verlangens, en op noodlottige wijze van binnenuit uiteenvallend, vindt zich op zo’n cruciaal moment in haar geschiedenis, geconfronteerd met de groeiende voorspoed van een jong Geloof, een Geloof dat soms lijkt te worden meegezogen in haar controversen, verstrikt in haar conflicten, overschaduwd door haar donderwolken, en overmeesterd door de vloedgolf van haar emoties. In zijn hart [Palestina], in zijn wieg [Iran], op de zetel van zijn eerste en eerbiedwaardige Tempel [Asjchabad], in een van zijn tot nu toe bloeiende en potentieel machtige centra [Duitsland], lijkt het nog niet volgroeide Geloof van Bahá’u’lláh zich inderdaad te hebben teruggetrokken voor de aanstormende legers van geweld en wanorde waaraan de mensheid gestaag ten prooi valt. De bolwerken van een dergelijk geloof worden zo lijkt het, één voor één en dag na dag, achtereenvolgens geïsoleerd, aangevallen en veroverd. Terwijl het licht van vrijheid flikkert en dooft, terwijl het geraas van tweedracht elke dag luider en luider wordt, terwijl de vuren van fanatisme met toenemende felheid branden in het hart der mensen, terwijl de kilte van de goddeloosheid meedogenloos over de ziel van de mensheid kruipt, lijken ook de ledematen en organen die het lichaam van het Geloof van Bahá'u'lláh vormen, in verschillende mate, getroffen te zijn door de verlammende invloeden die de gehele beschaafde wereld thans in hun greep houden.’

Hoe duidelijk en treffend worden de volgende woorden van ‘Abdu’l-Bahá in dit uur onderstreept: “De duisternis van dwaling die het Oosten en het Westen heeft omhuld, strijdt in dit grootse tijdperk, tegen het licht van Goddelijke Leiding; haar zwaarden en speren scherp en gepunt, haar leger uiterst bloeddorstig.” “Deze dagen,” zo schreef hij in een andere passage, “is de macht van alle geestelijk leiders gericht op het uiteendrijven van de gemeenschap van de Al-Genadige, en het vernietigen van het Goddelijke Heiligdom. De heerscharen van de wereld, materieel, cultureel of politiek, doen hun aanval van alle kanten, want de Zaak is groot, heel groot. Haar grootsheid in vandaag de dag overduidelijk voor het oog der mensen.” —

 

De Baha'i wereld 1939

De Bahá’í tuinen met Pelgrims Huis te Haifa, 1937

 

Bron - Shoghi Effendi: The Advent of Divine Justice — Wilmette 1939

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht