Boodschap over Wereldvrede

Boodschap over Wereldvrede

Zetel van het Universele Huis van Gerechtigheid

Aan de Bahá’ís van de Wereld

Innig geliefde Vrienden,

1. Een halve eeuw nadat Bahá’u’lláh de koningen en leiders had opgeroepen om zich met elkaar te verzoenen en hen had bevolen om vrede op aarde te stichten, werden de grootmachten van die tijd in oorlog gedompeld. Het was het eerste conflict dat werd gezien als een “Wereldoorlog”, en het wordt herinnerd als een vuurzee van gruwelijke hevigheid; de ongekende schaal en wreedheid van het bloedvergieten heeft zich in het bewustzijn van elke volgende generatie gegrift. En toch bloeiden er, uit de verwoesting en het lijden, mogelijkheden op voor een nieuwe orde die stabiliteit in de wereld moest brengen – in het bijzonder tijdens de Vredesconferentie van Parijs, die vandaag precies honderd jaar geleden werd geopend. Ondanks de herhaaldelijke crises waarin de internationale aangelegenheden belandden, kon Shoghi Effendi in de jaren die volgden “de vooruitgang waarnemen, hoe grillig ook, van de krachten die werkten in overeenstemming met de tijdgeest”. Deze krachten zijn de mensheid richting een tijdperk van vrede blijven bewegen – niet slechts een vrede die gewapende conflicten uitsluit, maar een collectieve toestand, die eenheid tot uitdrukking brengt. Desalniettemin blijft er een lange weg te gaan en gaat het met horten en stoten verder. Wij vinden dit een gunstig moment om na te denken over de vooruitgang die op deze weg is geboekt, de huidige uitdagingen voor de vrede en de bijdrage aan het bereiken daarvan die van bahá’ís wordt gevraagd.

2. In de laatste honderd jaar zijn er ten minste drie historische momenten geweest waarop het leek alsof de mensheid ware duurzame vrede binnen bereik had, maar steeds schoot zij tekort als gevolg van zwakheden die zij niet te boven kon komen. Het eerste moment was, als resultaat van de Conferentie van Parijs, de oprichting van de Volkenbond, een organisatie die door haar stichters was bedoeld om vrede op internationaal niveau te bewerkstelligen. Dit was het middel waardoor, voor het eerst in de geschiedenis, het systeem van collectieve veiligheid waartoe Bahá’u’lláh de leiders van de wereld had gelast, “serieus werd overwogen, besproken en uitgeprobeerd”. Maar uiteindelijk had het vredesverdrag waarmee de oorlog werd beëindigd fatale tekortkomingen, en de Bond was niet in staat een tweede Wereldoorlog te voorkomen, een oorlog die naar het oordeel van historici het dodelijkste conflict uit de menselijke geschiedenis werd. Zoals de eerste belangrijke stap richting wereldvrede volgde op een periode van verschrikkelijke strijd, zo gebeurde dat ook de tweede keer, toen niet alleen vanuit de as van de Bond de organisatie van de Verenigde Naties werd opgericht, maar ook een systeem van internationale economische instellingen het leven zag en historische vooruitgang werd geboekt met betrekking tot de mensenrechten en internationale wetgeving. In snel tempo werden veel gebieden onder koloniaal bestuur, onafhankelijke naties. En de regelingen voor regionale samenwerking groeiden aanzienlijk in omvang en reikwijdte. De naoorlogse decennia werden echter ook gekenmerkt door een sfeer van dreigende en vaak openlijke vijandigheid tussen de twee belangrijkste machtsblokken in de wereld. Bekend als de Koude Oorlog, leidde die tot daadwerkelijke oorlogen in verschillende delen van de wereld, en bracht zij de mensheid gevaarlijk dicht bij een conflict met kernwapens. De vreedzame beëindiging ervan, tegen het einde van de twintigste eeuw, was een opluchting en gaf aanleiding tot de expliciete oproep tot het vestigen van een nieuwe wereldorde. Dit was het derde moment waarop universele vrede binnen handbereik leek te zijn. Inspanningen om nieuwe systemen voor internationale samenwerking in het leven te roepen en bestaande systemen te versterken kregen een grote impuls, toen de Verenigde Naties een reeks wereldconferenties bijeen riep over thema’s die van belang waren voor de toekomst van de mensheid. Er ontstonden nieuwe mogelijkheden voor het bereiken van overeenstemming, en de geest van samenwerking, de kracht achter vooruitgang, kwam ook tot uitdrukking in de mandaten die werden gegeven aan bepaalde internationale instellingen belast met het uitvoeren van rechtvaardigheid. Dit doelbewuste overlegproces kwam aan het begin van de eeuw tot een hoogtepunt in het Millennium Forum, een bijeenkomst van vertegenwoordigers van meer dan duizend maatschappelijke organisaties uit meer dan honderd landen, gevolgd door de Millennium Summit, een ongeëvenaarde samenkomst van wereldleiders waarbij overeenstemming werd bereikt over een reeks doelstellingen die een gezamenlijke ambitie van de mensheid vertegenwoordigde. De gestelde Millennium Development Goals werden in de daaropvolgende jaren kristallisatiepunten voor collectieve actie. Deze verschillende ontwikkelingen zijn – ondanks hun vele beperkingen en onvolkomenheden en de gruwelijke conflicten die zich gedurende die tijd bleven voordoen – niettemin tekenen van een wijdverspreide, geleidelijke maar onstuitbare toename van wereld-bewustzijn bij de volkeren van de aarde en van hun verlangen naar universele rechtvaardigheid, naar solidariteit, naar samenwerking, naar mededogen en naar gelijkwaardigheid.

3. Aan het begin van de huidige eeuw begonnen zich nieuwe uitdagingen af te tekenen. Na verloop van tijd werden deze intensiever, wat leidde tot een terugtocht uit de veelbelovende stappen voorwaarts waarmee de vorige eeuw was afgesloten. Tegenwoordig drijven veel van de dominante stromingen in samenlevingen overal mensen uit elkaar, en verenigen zij niet. Zelfs nu wereldwijde armoede in haar meest extreme vorm is afgenomen, hebben de politieke en economische systemen de verrijking van kleine groepen personen met grove buitensporige rijkdom mogelijk gemaakt – een toestand die fundamentele instabiliteit van wereldaangelegenheden voedt. De interacties van de individuele burger, de bestuurlijke instellingen en de samenleving als geheel zijn vaak beladen, omdat zij die pleiten voor een of ander privilege steeds vaker starheid in hun denken vertonen. Religieus fundamentalisme misvormt het karakter van gemeenschappen en zelfs van naties. Het falen van zoveel maatschappelijke organisaties en instellingen heeft begrijpelijkerwijs geleid tot een afname van het vertrouwen van het publiek, maar dit is systematisch uitgebuit door gevestigde belangen die de betrouwbaarheid van alle kennisbronnen willen ondermijnen. Bepaalde gedeelde ethische beginselen, die aan het begin van deze eeuw in opgaande lijn leken te gaan, zijn uitgehold, wat een bedreiging vormt voor de heersende consensus over goed en kwaad die in verschillende arena’s de meest basale neigingen van de mensheid in toom had weten te houden. En de wil om deel te nemen aan internationale collectieve actie, die twintig jaar geleden een krachtige denkwijze onder de wereldleiders vertegenwoordigde, staat onder druk door aanvallen van weer oplaaiende krachten van racisme, nationalisme en fractiestrijd.

4. Zo hergroeperen de krachten van verval zich en winnen zij terrein. Het zij zo. De eenwording van de mensheid is niet te stoppen door welke menselijke kracht dan ook; de beloften die door de profeten vanouds en door de Auteur van de Zaak van God zelf zijn gedaan getuigen van deze waarheid. Maar de koers die de mensheid moet volgen om haar bestemming te bereiken, kan heel goed vol omwegen zijn. Het tumult dat door de strijdende volkeren op aarde wordt veroorzaakt, dreigt in elke maatschappij de stemmen van die nobele zielen te overstemmen die oproepen tot een einde aan conflicten en strijd. Zolang die oproep niet wordt gehoord, is er geen reden om eraan te twijfelen dat de huidige toestand van wanorde en verwarring in de wereld verder zal verslechteren – mogelijk met catastrofale gevolgen – totdat een gekastijde mensheid het passend acht om nog een belangrijke stap te zetten, misschien dit keer een beslissende, richting duurzame vrede.

*

5. Universele vrede is de bestemming waarnaar de mensheid zich door de eeuwen heen heeft bewogen onder de invloed van het Woord van God dat door de Schepper geleidelijk aan Zijn schepping werd gegeven. Shoghi Effendi beschreef de vooruitgang van de mensheid naar een nieuw mondiaal stadium in haar collectieve leven in termen van sociale evolutie, “een evolutie die haar vroegste begin kende in de geboorte van het familieleven, de daaropvolgende ontwikkeling in het bereiken van tribale-solidariteit, wat op zijn beurt leidde tot de vorming van de stadstaat, en zich later uitbreidde tot de vestiging van onafhankelijke en soevereine naties.” Nu, met de komst van Bahá’u’lláh, staat het menselijk ras op de drempel van zijn volwassenheid. Wereldeenheid is eindelijk mogelijk. Een wereldwijde orde die de naties verenigt met instemming van de mensheid is het enige adequate antwoord op de destabiliserende krachten die de wereld bedreigen.

6. Hoewel wereldeenheid mogelijk – ja zelfs onvermijdelijk – is, kan deze uiteindelijk niet worden bereikt zonder het onvoorwaardelijk aanvaarden van de eenheid der mensheid; door de Behoeder beschreven als “de spil rond welke alle leringen van Bahá’u’lláh zich bewegen”. Met welk een inzicht en welsprekendheid zette hij de verreikende gevolgen van dit centrale beginsel uiteen! Duidelijk zag hij hoe, te midden van de turbulentie van wereldaangelegenheden, de werkelijkheid dat de mensheid één volk is, het vertrekpunt moet zijn voor een nieuwe orde. De brede waaier aan relaties tussen – en binnen – landen moet in dit licht geheel opnieuw worden bekeken.

7. De verwezenlijking van een dergelijke visie vereist vroeg of laat een historisch staaltje staatsmanschap van de leiders van de wereld. Helaas, ontbreekt de wil om deze heldendaad te proberen nog steeds. De mensheid is in de greep van een identiteitscrisis, nu verschillende volkeren en groepen worstelen met het definiëren van zichzelf, van hun plaats in de wereld en van hoe zij moeten handelen. Zonder een visie van gedeelde identiteit en een gemeenschappelijk doel, vervallen zij in concurrerende ideologieën en machtsstrijd. Groepsidentiteiten worden door de schijnbaar ontelbare variaties van “wij” en “zij” nog krapper en onderling tegenstrijdig gedefinieerd. In de loop der tijd heeft deze versplintering in uiteenlopende belangengroepen de samenhang binnen de samenleving als zodanig verzwakt. Er wordt geleurd met tegenstrijdige opvattingen over de superioriteit van een bepaald volk, met uitsluiting van de waarheid dat de mensheid een gemeenschappelijke reis onderneemt waarin allen medestanders zijn. Overweeg hoe zeer zo’n versplinterde opvatting van de menselijke identiteit verschilt van de opvatting die voortkomt uit erkenning van het één-zijn van de mensheid. Vanuit dit oogpunt verrijkt de verscheidenheid die de menselijke familie kenmerkt haar één-zijn juist, in plaats van dat deze wordt tegengesproken. Eenheid omvat, in haar baha’i uitdrukking, het essentiële concept van verscheidenheid, en daarmee onderscheidt het zich van uniformiteit. Het is door liefde voor álle mensen, door minder belangrijke loyaliteiten ondergeschikt te maken aan de belangen van de mensheid, dat de eenheid van de wereld kan worden verwezenlijkt en de oneindige uitingsvormen van menselijke verscheidenheid hun hoogste vervulling vinden.

8. Het bevorderen van eenheid, door het samenbrengen van uiteenlopende elementen en het in elk hart doen opbloeien van een onbaatzuchtige liefde voor de mensheid, is de taak van religie. Er staan religieuze leiders grote mogelijkheden ter beschikking om broederschap en samenhorigheid aan te kweken, maar diezelfde leiders kunnen ook aanzetten tot geweld door hun invloed aan te wenden voor het opstoken van de vuren van fanatisme en vooroordeel. Over religie zijn Bahá’u’lláh’s woorden heel duidelijk: “...maak haar niet”, waarschuwt Hij, “de oorzaak van onenigheid en strijd.” Vrede, voor “allen die op aarde wonen”, is een van “de grondbeginselen en verordeningen van God”.

9. Een hart dat liefde voor de gehele mensheid in zich heeft gesloten, zal zeker met smart vervuld raken bij het zien van het leed dat zovelen vanwege verdeeldheid ondergaan. Maar de vrienden van God kunnen zich niet afsluiten voor de toenemende onrust in de hen omringende samenleving; ook zij moeten er voor waken om verstrikt te raken in haar conflicten of te vervallen in haar vijandige methoden. Hoe somber de omstandigheden op enig moment ook mogen lijken, hoe troosteloos de directe vooruitzichten om eenheid tot stand te brengen ook mogen zijn, er is geen reden tot wanhoop. De verontrustende staat waarin de wereld verkeert kan ons alleen maar aansporen om onze inzet voor opbouwende actie te verdubbelen. “Dit zijn geen dagen van voorspoed en triomf” waarschuwt Bahá’u’lláh. “De gehele mensheid is in de greep van velerlei kwalen. Spant u daarom in om haar leven te redden met het heilzame geneesmiddel dat de almachtige hand van de onfeilbare Geneesheer heeft bereid.”

*

10. Het vestigen van vrede is een plicht waartoe de gehele mensheid wordt opgeroepen. De verantwoordelijkheid die bahá’ís hebben om aan dat proces bij te dragen, zal zich in de loop van de tijd verder ontwikkelen, maar zij zijn nooit louter toeschouwers geweest – zij dragen hun deel bij aan de werking van die krachten die de mensheid naar eenheid leiden. Zij worden opgeroepen om als zuurdesem voor de wereld te zijn. Overweeg Bahá’u’lláh’s woorden:

11. — “Legt u toe op het bevorderen van het welzijn en de rust der mensenkinderen. Richt uw gedachten en uw wil op de opvoeding van de volkeren en geslachten der aarde, zodat door de macht van de Grootste Naam de tweedracht die hen verdeelt uit hun midden moge verdwijnen, en de gehele mensheid de handhavers van één Orde en de bewoners van één Stad zullen worden.”

12. Ook ‘Abdu’l-Bahá benadrukte het belang van de bijdrage die bahá’ís moeten leveren aan het vestigen van wereldvrede:

13. — “…vrede moet eerst gevestigd worden tussen individuen, totdat het uiteindelijk leidt tot vrede tussen naties. Streef er daarom, o gij bahá’ís, met alles wat in u is naar om, door de kracht van het Woord van God, oprechte liefde, geestelijke verbondenheid en blijvende banden onder de mensen te creëren. Dit is uw taak.”

14. De Belofte van Wereldvrede, de boodschap die wij in 1985 aan de volkeren van de wereld hebben gericht, heeft het bahá’í-perspectief uiteengezet over de staat waarin de wereld verkeert en de vereisten voor universele vrede. Ook werd daarin de wereldwijde bahá’í-gemeenschap als een model ter bestudering aangeboden voor het versterken van de hoop op de mogelijkheid van het verenigen van de mensheid. In de jaren daarna hebben de volgelingen van Bahá’u’lláh dit model geduldig verfijnd en met anderen om hen heen samengewerkt om een systeem van maatschappelijke organisatie op te bouwen en uit te breiden dat is gebaseerd op Zijn leringen. Zij leren hoe zij gemeenschappen kunnen steunen die de door ons in 1985 genoemde voorwaarden voor vrede belichamen. Zij cultiveren omgevingen waarin kinderen grootgebracht kunnen worden zonder aangetast te zijn door enige vorm van raciaal, nationaal of religieus vooroordeel. Zij komen op voor de volledige gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen in de aangelegenheden van de gemeenschap. Hun onderwijsprogramma’s, die transformerend in hun effect zijn en zowel de materiële als de spirituele aspecten van het leven omvatten, verwelkomen een ieder die wil bijdragen aan de voorspoed van de gemeenschap. In de eerste tekenen van sociale actie kan hun verlangen worden waargenomen om de vele kwalen die de mensheid teisteren te verhelpen en om iedereen in staat te stellen een medestander te worden bij het bouwen van een nieuwe wereld. Geïnspireerd door het concept van de Mashriqu’l-Adhkár, nodigen zij voor hun devotionele bijeenkomsten zowel aanhangers van alle geloofsovertuigingen uit als hen die geen geloofsovertuiging aanhangen. Jongeren, die zich onderscheiden door hun toewijding aan een samenleving die is gebaseerd op vrede en rechtvaardigheid, betrekken hun gelijkgestemde leeftijdsgenoten bij het op deze basis opbouwen van gemeenschappen. Bij het instituut van de Plaatselijk Geestelijke Raad berust de geestelijke autoriteit en de bestuurlijke capaciteit om in een geest van dienstbaarheid te besturen, om conflicten op te lossen en om eenheid te bouwen; het verkiezingsproces waarmee Raden worden gevormd, is op zichzelf al een uiting van vrede, in tegenstelling tot het venijn en zelfs het geweld waarmee verkiezingen in de bredere samenleving vaak gepaard gaan. Besloten in al deze dimensies van een open, groeiende gemeenschap ligt de fundamentele erkenning dat alle mensen de kinderen zijn van één Schepper.

15. De vrienden ontwikkelen ook hun vermogen om degenen om hen heen, ongeacht geloof, cultuur, klasse of etniciteit, in gesprekken te betrekken over de manier waarop geestelijk en materieel welzijn tot stand kan worden gebracht door het systematisch toepassen van de goddelijke leringen. Een verheugend resultaat van dit groeiende vermogen is de toegenomen bekwaamheid van de gemeenschap om zinvolle bijdragen te leveren aan verschillende belangrijke discussies die in de samenleving worden gevoerd; in bepaalde landen tonen leiders en denkers die de uitdagingen willen aanpakken waarmee hun samenlevingen worden geconfronteerd in toenemende mate waardering voor de gezichtspunten die bahá’ís aanbieden. Deze bijdragen verwoorden inzichten die zijn afgeleid van Bahá’u’lláh’s Openbaring, maken gebruik van de ervaring die door de gelovigen overal ter wereld wordt opgedaan, en beogen het gesprek te verheffen boven de bitterheid en twist die zo vaak verhinderen dat het publieke debat vordert. Verder worden de ideeën en redeneringen die door bahá’ís naar voren worden gebracht versterkt door hun werkwijze van consultatie. Gevoelig als zij zijn voor het belang van harmonie en de vruchteloosheid van conflict, trachten de volgelingen van Bahá’u’lláh die omstandigheden te onderhouden die het meest bevorderlijk zijn voor het ontstaan van eenheid in welke omgeving dan ook. Wij vinden het bemoedigend om te zien dat de gelovigen hun inspanningen vergroten om deel te nemen aan het publieke debat, vooral die vrienden die in hun professionele hoedanigheid kunnen bijdragen aan discussies die rechtstreeks verband houden met vrede.

*

16. Voor bahá’ís is het bereiken van vrede niet slechts een streven dat zij een warm hart toedragen, of een doel naast hun andere doelen – het is altijd een centrale zorg geweest. In een tweede Tafel die ‘Abdu’l-Bahá richtte tot de Centrale Organisatie voor een Duurzame Vrede in Den Haag, verzekerde Hij dat “ons verlangen naar vrede niet alleen voortkomt uit het verstand; het is een kwestie van religieuze overtuiging en een van de eeuwige grondslagen van het Geloof van God.” Hij merkte op dat om vrede in de wereld tot stand te brengen, het niet voldoende was dat mensen kennis dienden te krijgen van de verschrikkingen van oorlog:

17. — “Tegenwoordig worden de voordelen van universele vrede algemeen erkend, en evenzo zijn de schadelijke gevolgen van oorlog voor een ieder duidelijk en zichtbaar. Maar in deze kwestie is louter kennis verre van voldoende: er is een uitvoerende kracht nodig om deze over de gehele wereld te vestigen.”

18. “Het is onze vaste overtuiging”, zo vervolgde Hij, “dat de uitvoerende kracht in deze grootse onderneming de indringende invloed is van het Woord van God en de bekrachtiging van de Heilige Geest.”

19. Het is dus zeker dat niemand die zich bewust is van de toestand van de wereld kan nalaten om zijn uiterste best te doen voor deze onderneming en die bekrachtiging te zoeken – een bekrachtiging om welke ook wij aan de Heilige Drempel namens u vurig smeken. Geliefde vrienden: de toegewijde inspanningen die u en uw gelijkgestemde medewerkers verrichten om gemeenschappen op te bouwen die gebaseerd zijn op spirituele beginselen, om die beginselen in te zetten voor de verbetering van uw samenleving, en om de inzichten die hierbij worden opgedaan aan te bieden – vormen de beste manier waarop u de vervulling van de belofte van wereldvrede kunt versnellen.

*

Bron — Het Universele Huis van Gerechtigheid: Boodschap over Wereldvrede, 18 januari 2019 [vertaling 24 juni 2019] — Bahá’í Reference Library

Bekijk ook: ‘Abdu’l-Bahá’s Tafel van de Vrede en de boodschap van het Universele Huis van Gerechtigheid De Belofte van Wereldvrede

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht