Duitse consul ontmoet 'Abdu'l-Bahá

Duitse Consul ontmoet 'Abdu'l-Bahá

Duitse Consul en officieren bij ‘Abdu’l-Bahá, 1914

Op donderdag-avond 6 augustus — de oorlog in Europa is enkele dagen eerder begonnen — spreekt ‘Abdu’l-Bahá in Haifa voor de Perzische vrienden over zijn onderhoud met de Duitse Consul in Haifa, Julius H. Löytved Hardegg (1874-1917) schoonzoon van wijlen Georg Hardegg, de stichter van de Duitse kolonie van Tempelbouwers (Löytved was in Beirut geboren en sprak naast Deens en Duits ook Arabisch en Turks). Een der aanwezigen noteert ‘Abdu’l-Bahá’s woorden:

— ‘Ongeveer tien of vijftien dagen geleden had ik het genoegen om de Duitse Consul te ontmoeten en met hem de onheilspellende tekenen van de komende Europese oorlog te bespreken. Hij sprak de mening uit - gangbaar onder staatslieden - dat een land zijn jaarlijkse militaire en maritieme-uitgaven moet blijven verhogen als het zijn groeiende commerciële en nationale belangen wenst te beschermen tegen de aanval van zijn even krachtige en zich even uitbreidende buren of rivalen; dat hoe groter het leger apparaat en toebehoren zijn, des te meer men verzekerd is van de vooruitgang van de natie en zijn voortdurend ontwikkelende hulpbronnen. In die vergadering waren een aantal Duitse en andere nationaliteiten aanwezig. Vreemd genoeg waren zij het in deze kwestie allemaal eens met de Consul, en stemden zij in met zijn mening alsof hij hun diepste en meest gekoesterde gedachten had verwoord. Ik zei: “Als de kracht van liefde en vrede overheersend en oppermachtig wordt, zal haar effect groter zijn dan de kracht van haat en Mars, de god van de oorlog. In de wereld van bestaan is er geen kracht zo werkzaam en zo doordringend als de kracht van liefde. Militaire macht forceert en dwingt de mens door middel van de onnatuurlijke toevlucht tot geweld en dwang, maar de mensheid geeft zich graag en vrijwillig over aan de kracht van liefde.
— De oorlogskosten van elke natie zijn in de afgelopen jaren sterk toegenomen. Hoewel de fysieke botsing en beroering van daadwerkelijke oorlogvoering is uitgebleven, is er in werkelijkheid een financiële en economische oorlog gaande die onophoudelijk de middelen van de mensen uitput. Want een flink deel van wat arme arbeiders, boeren en handwerkslieden met het zweet op hun voorhoofd verdienen en de arbeid van hun handen wordt hen onder de naam van belasting afgenomen en uitgegeven aan militaire toebereidselen. Daarom is oorlog ononderbroken. Deze onttrekking kweekt ontevredenheid, klassengevoel en groepsbewustzijn tegen de gevestigde orde; - iedereen beseft dat de menselijke samenleving ontspoort. Als men deze lichtgeraaktheid, dit gereedschap, deze vuisten en helse geest, deze koortsachtige haast in de opeenstapeling van oorlogsmateriaal, deze verspilling van grote gedachten ter perfectie van de militaire wetenschap, nu eens zou gebruiken voor … - Ik zei als zij deze inspanning en moeite zouden kunnen doen, dit streven en deze hoge gedachten, in het tot stand brengen van liefde onder de mensheid, in versterking van de banden van onderlinge afhankelijkheid tussen landen en regeringen, en in het vestigen van vriendschap en genegenheid tussen de rassen; - hoeveel doeltreffender zou dat niet zijn geweest! In plaats van het zwaard te trekken om elkaars bloed te vergieten, moeten zij denken aan het perfectioneren van elkaars beschaving, wetenschap, kunst, handel, ontwikkeling en vooruitgang. Is dat niet beter? Is dat de nobele rang van de mens niet waardiger?”
— De Duitse Consul en de anderen dachten er niet aan om mijn ideeën te aanvaarden, en begonnen die te weerspreken.
— Toen zei ik opnieuw: “Welke overwinning zult u uit deze oorlog behalen? Wat zal het resultaat zijn van al dit bloedvergieten? Welke vrucht zal dit bloedbad voortbrengen? Wat zal het resultaat zijn van deze agressie? Wat is, vanaf het begin der geschiedenis tot de dag van vandaag, de winst die de mensheid uit oorlog heeft verkregen? Niets dan ondergang, verwoesting, de bezoedeling van de heilige rechten van de mens, vandalisme, bloedvergieten en de overweldiging van de idealen die door God in het hart van de mens zijn neergelegd.”
En als wij de geest van de moderne geschiedenis goed lezen, komen wij tot de conclusie dat er geen veroveringsoorlog bestaat - de overwinnaar en de overwonnene merken aan het einde van het treffen dat zij beide verloren hebben.
— Denk eens in wat een ideale overwinningen! Wat een schitterende triomfen! Welke spirituele sporen! Welke hemels successen manifest zijn geworden door de kracht van liefde! Daarom hoeveel edeler en waardiger zou het niet zijn als de wijzen en denkers van de wereld hun fysieke, intellectuele en morele krachten zouden aanwenden in het onder de mensen uitdragen van de Kracht van Liefde. Deze Kracht van Liefde is het middel van wederkerigheid en samenwerking tussen naties! Zij is de oorzaak van hun eeuwigdurende Glorie! Zij is bevorderlijk voor de orde en veiligheid van de wereld der schepping.
— lk bemerkte dat mijn luisteraars nog verre waren van het aanvaarden van mijn pleidooi. Zij deden er het zwijgen toe, maar ik wist dat het een stilte was uit respect en dat dit niet betekende dat zij waren overtuigd. Ik merkte vandaag dat als gevolg van de oorlogsverklaring in Europa, de Duitsers in deze kolonie erg verdrietig en depressief waren, zodanig zelfs dat het niet te beschrijven valt. Zij weten dat zij in gevaar zijn; het gevaar van een nederlaag van het vaderland. Waarom zouden zij dan oorlog verwelkomen?
— Mijn gesprek met de Duitse Consul en anderen voortzettende, zei ik: “In werkelijkheid zijn alle inwoners van Europa trouw aan één religie, en dat is de religie van Zijne Heiligheid Christus; zij behoren ook tot één ras, dat niet anders is dan het Arische, dat in de oudheid vanuit Azië migreerde en zich in de verschillende delen van dat onbewoonde land vestigde. Na verloop van vele generaties, noemde de ene gemeenschap zichzelf Frans, de andere Duits, een derde Normandisch, een vierde Romijns, enz. Later, stap voor stap, verzonnen zij de verschillen, en er slopen vele misverstanden binnen die dag na dag bijdroegen aan de ernst van de situatie. Bovendien, als zij goed zouden nadenken, zouden zij beseffen dat zij op één continent wonen - Europa. Dus als zij beweren dat hun misverstanden te wijten zijn aan religieuze verschillen, dan is dat niet het geval omdat zij overschaduwd worden door de invloed van één religie. Als zij stellen dat hun vervreemding door raciale vooringenomenheid komt, moet dat, daar zij afstammen van één primair ras, worden weggewuifd. Als zij beweren dat hun strijd op patriottische gronden plaatsvindt, heeft dat, omdat zij hetzelfde continent bewonen, geen gewicht. Bovendien behoren zij allen tot de mensheid. Zij komen voort uit één gemeenschappelijke stam en zijn de takken van één en dezelfde boom.” —

Op 20 september bericht een correspondent vanuit Palestina aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant: — ‘Zowel economisch als politiek is de toestand hier zeer kritiek. Wat de economische toestand betreft, men kan zich voorstellen wat het haast volledige stopzetten van alle verkeersmiddelen betekent voor een land, dat zo geheel van de invoer en de ondersteuning uit het buitenland afhangt. […] Ook politiek is de toestand niet schitterend. Reeds dadelijk bij het begin van de crisis, begin augustus, is de mobilisatie begonnen. Ze heeft ongeveer zes weken geduurd, maar is nu ook voltooid. Wat nu? Oorlog met Rusland en Engeland? Turkije is geen vijand om mee te spotten. Er schijnt een leger van twee miljoen man gemobiliseerd te zijn, en nu bedreigt men de Kaukasus, en daarmede dus geheel Zuid-Rusland; en Egypte, en daarmede dus het Suez kanaal … In Jeruzalem ziet men nu veel soldaten. Ze zien er uitstekend uit in beste nieuwe velduniformen, en worden gedrild door officieren die er eer naar uitzien of hun wieg aan de Rijn, dan aan de Jordaan gestaan heeft. De troepenbeweging naar El Arish is zeer uitgebreid en de Bedoeïenen van Zuid-Palestina worden door de regering van wapens voorzien. De kuststeden Jaffa, Haifa en Akka zal Engeland zonder twijfel dadelijk bezetten, Frankrijk Tripoli en Beiroet, maar in het binnenland zullen ze niet gaan (zegt, men!), doch zich slechts tot het defensief beperken. […] De stemming tegenover de oorlog is hier zeer verdeeld. De inlandse bevolking is over ’t algemeen tegen Rusland en Engeland en daarom vóór Duitsland. De verfranste Arabieren zijn natuurlijk voor Frankrijk. De Joden (afgescheiden dan van enkele Russische patriotten) wensen Rusland’s nederlaag, maar vinden het jammer, dat dit samenvalt met een overwinning van Duitsland. Ook sympathiseren zij met Frankrijk…” —

Diezelfde maand brengt ‘Abdu’l-Bahá de bahá’í-gemeenschap van Haifa en Akka, in totaal zo’n 140 personen, onder in het Drusen dorp Abu-Sinan, tien kilometer ten oosten van Akka. Ook een kist met geschriften en historische voorwerpen — de voorloper van het Internationale Bahá’í Archief — wordt naar het dorp overgebracht. De bahá’ís organiseren er een schooltje en een apotheek en blijven daar tot mei 1915.

Consul Löytved-Hardegg wordt in 1915 overgeplaatst naar Damascus. Hij overlijdt daar twee jaar later, maar wordt begraven op het Templerfriedhof in Haifa.

 

Consul ontmoet 'Abdu'l-Bahá

‘Abdu’l-Bahá en Perzische vrienden voor zijn huis in Haifa, najaar 1914

Bronnen — Star of the West - vol. V - 16 oktober 1914 - p.179; Abhang Rabbani: ‘Abdu’l-Bahá in Abu-Sinan, September 1914. In: Baha’i Studies Review - vol. 13 - 2005; Nieuwe Rotterdamsche Courant - 24 oktober 1914.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht