John Esslemont

John Esslemont

John Esslemont

Dokter John Esslemont’s gezondheid was zwak. Tijdens zijn studie geneeskunde aan de Universiteit van Aberdeen, zijn Schotse geboorteplaats, had hij tuberculose opgelopen. Een loopbaan als medisch onderzoeker moest hij om die reden opgeven. Na een verblijf in Australië en Zuid-Afrika werd hij in 1908 inwonend arts van een sanatorium voor tuberculose in Bournemouth, een kustplaats in het zuiden van Engeland.

In december 1914 leerde Esslemont het Bahá’í-geloof kennen toen de echtgenote van een collega hem vertelde over haar ontmoeting met ‘Abdu’l-Bahá in Londen. Hij las daarna alles wat hij over het onderwerp kon vinden en begon in oktober 1916 aan het schrijven van een boek over zijn ontdekkingen. Na de Grote Oorlog zond hij het manuscript naar ‘Abdu’l-Bahá en die bood hem de mogelijkheid om naar Haifa te komen en het manuscript in de winter van 1919-1920 met hem en enkele vooraanstaande bahá’ís te bespreken (In diezelfde maanden hielp Esslemont mee bij de vertaling van ‘Abdu’l-Bahá’s Tafel van de Vrede).

Bij terugkeer in Engeland stortte Esslemont zich op de verbetering en aanvulling van zijn manuscript en in augustus 1920 zond hij de voltooide versie ter goedkeuring naar ‘Abdu’l-Bahá. Toen deze in november 1921 overleed waren echter nog niet alle hoofdstukken gecorrigeerd. Maar met hulp van Shoghi Effendi kon Esslemont’s werk toch in september 1923 in Londen worden gepubliceerd onder de titel Bahá’u’lláh and the New Era (Bahá’u’lláh en het Nieuwe Tijdperk).

Esslemont’s boek was het eerste ‘handboek van het Geloof’ (Shogi Effendi). Het schetste voor het eerst een totaalbeeld van de geschiedenis en visie van het Bahá’í-geloof en voorzag daarmee duidelijk in een behoefte.

Bahá’u’lláh and the New Era werd in tientallen talen vertaald; ook in het Nederlands. De Rotterdammer kapitein Jaap Liebau financierde die, waarna Shoghi Effendi en twee Amerikaanse bahá’í vriendinnen, de in Bremen wonende Inez Greeven en de in Den Haag verblijvende Louise Drake Wright er voor zorgden dat die versie in een oplage van 1.000 stuks werd gedrukt. Bij het verschijnen daarvan in mei 1933 — er woonden toen slechts een handjevol bahá’ís in de Lage Landen — schreef het landelijke dagblad Het Vaderland: ‘Wij ontvingen lectuur over een nieuwe godsdienstige beweging, ja een nieuwe godsdienst zelfs. De beweging heeft ten doel de stichting van ware religie en algemene vrede onder de mensen. Zij begon in Perzië omstreeks het midden der vorige eeuw en zij heeft zich met wonderbare snelheid verspreid niet alleen in Perzië maar door de hele wereld, hetgeen, wij erkennen het eerlijk, ons niet bekend was. […] Christenen, Joden, Mohammedanen, Hindoes, volgelingen van Zoroaster, aanhangers van alle godsdiensten en ook godsdienstlozen hebben zich in groten getale bij de jonge godsdienst aangesloten, alle vooroordelen en bezwaren niets achtend in de eendrachtige samenwerking voor de komst van het Koninkrijk Gods op aarde.’

In 1924 nodigde Shoghi Effendi, Esslemont uit om zich in Haifa te vestigen en hem te helpen als vertaler en secretaris. Het was in deze periode dat Esslemont ook een van de eerste Nederlandse bahá’ís ontmoette. Op 9 mei 1925, slechts enkele maanden voor zijn overlijden, schreef hij daarover in een brief: ‘Gisteren kwam hier vanuit Port Said de, voor zover wij weten, eerste Nederlandse bahá’í aan. [Hij] las mijn boek, raakte zeer geïnteresseerd en lijkt nu al een standvastige gelovige.’

Toen John Ebenezer Esslemont in het najaar in Haifa overleed schreef Shoghi Effendi ondermeer: — ‘Alleen al zijn boek, een blijvend monument voor zijn zuivere intentie, zal toekomstige generaties inspireren om het pad van waarheid en dienstbaarheid net zo standvastig en onopvallend te bewandelen als zijn geliefde auteur dat deed. De Zaak die hij zo zeer liefhad diende hij zelfs tot in zijn laatste dag met voorbeeldig geloof en onbegrensde toewijding. Zijn vasthoudendheid in geloof, zijn grote integriteit, zijn zelfverloochening, zijn ijver en grondige werk waren de kenmerken van een karakter waarvan de nobele kwaliteiten na hem voor altijd zullen voortleven. Voor mij persoonlijk was hij de allerbeste vriend, een vertrouwde adviseur, een onvermoeibare medewerker, en een beminnelijke metgezel.’

In 1951 benoemde de Behoeder dr. John Esslemont postuum tot Hand-van-de-Zaak-Gods.

Esslemont

Esslemont bij ‘Abdu’l-Bahá, Haifa november 1919

Esslemont

Esslemont en Shoghi Effendi in Bournemouth c.1920

Bronnen - Rúhíyyíh Rabbaní: The Priceless Pearl - London 1969; Moojan Momen: Dr J.E. Esslemont - London 1975; Dorset Photo Archive.

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht