Vriendelijkheid

Uit een toespraak van ‘Abdu’l-Bahá over vriendelijkheid

Vriendelijkheid — Wanneer een mens zijn gelaat tot God keert, vindt hij overal zonneschijn. Alle mensen zijn zijn broeders. Laat vormelijkheid er niet de oorzaak van zijn dat u koel en afstandelijk lijkt, wanneer u vreemden uit andere landen ontmoet. Kijk niet naar hen alsof u hun ervan verdenkt boosdoeners, dieven of barbaren te zijn. U acht het noodzakelijk om zeer voorzichtig te zijn en uzelf niet bloot te stellen aan het gevaar met dergelijke, mogelijk ongewenste mensen kennis te maken. Maar ik vraag u om niet alleen aan uzelf te denken. Wees vriendelijk voor vreemdelingen, of zij nu uit Turkije, Japan, Perzië, Rusland, China of enig ander land ter wereld komen.
Help hen zich thuis te voelen; ga na waar zij verblijf houden, vraag of u hen van dienst kunt zijn en tracht hun leven wat gelukkiger te maken.
Zelfs wanneer uw oorspronkelijke vermoeden een enkele keer waar blijkt te zijn, blijf dan toch zo vriendelijk mogelijk - deze vriendelijkheid zal hen helpen zich te verbeteren.
Waarom, tenslotte, zouden buitenlanders als vreemden behandeld moeten worden?
Toon hen die u ontmoet, ook zonder dat u het verkondigt, dat u werkelijk een bahá’í bent.
Breng de Leer van Bahá’u’lláh, betreffende vriendelijkheid voor alle volkeren, in de praktijk.
Wees niet tevreden met het tonen van vriendschap in woorden alléén, maar laat uw hart branden van vriendelijkheid voor allen die uw pad mogen kruisen.
O gij westerlingen, wees vriendelijk voor allen die uit het Oosten komen om onder u te verblijven. Vergeet uw vormelijkheid als u met hen spreekt; zij zijn dit niet gewend. Zo’n houding komt de oosterse volken koel en onvriendelijk voor. Wees liever medelevend. Laat zien dat u van een wereldomspannende liefde vervuld bent. Als u een Pers of een andere vreemdeling ontmoet, spreek dan met hem als met een vriend; als hij eenzaam schijnt, tracht hem dan te helpen en wees hem van dienst; als hij treurig is, troost hem; als hij arm is, help hem; als hij wordt onderdrukt, red hem; als hij in ellende verkeert, beur hem op. Door zó te handelen bewijst u dat u niet alleen in woord, maar ook echt in daad alle mensen als uw broeders beschouwt.
Wat voor zin heeft het ermee in te stemmen, dat wereldomvattende vriendschap goed is en te praten over de solidariteit der mensheid als over een verheven ideaal? Tenzij deze gedachten worden omgezet in daden zijn zij waardeloos.
Het onrecht in de wereld blijft bestaan, juist omdat mensen slechts over hun idealen praten en niet trachten die in praktijk te brengen. Zouden daden de plaats van woorden innemen, dan zou de ellende van deze wereld zeer spoedig worden veranderd in voorspoed.
Een mens die veel goed doet en daar niet over spreekt, is op weg naar volmaaktheid.
De mens die ooit een kleine goede daad verrichtte en die met woorden opklopt is zeer weinig waard.
Als ik van u hou is het niet nodig om voortdurend over mijn liefde te spreken - u zult dit ook zonder woorden wel weten. Anderzijds, als ik niet van u hou, zult u dat ook weten en u zult mij niet geloven, ook al zou ik u met duizend woorden zeggen dat ik van u hield.
Mensen maken in fraaie bewoordingen veel ophef over hun goedheid, omdat zij groter en beter gewaand willen worden dan hun medemens, en wereldlijke roem zoeken. Zij die het meest goed doen gebruiken weinig woorden waar het hun daden betreft.
De kinderen van God doen hun werk zonder grootspraak, en in gehoorzaamheid aan Zijn wetten.
Ik hoop voor u dat u steeds tirannie en onderdrukking zult vermijden, dat u onafgebroken zult werken totdat er in ieder land rechtvaardigheid heerst; en dat u uw hart zuiver houdt en uw hand vrij van onrechtvaardigheid.

Dit is wat toenadering tot God van u vraagt en dit is wat ik van u verwacht.

 

Vriendelijkheid

NASA astronaut Soichi Noguchi uit Japan

Bron - 'Abdu'l-Bahá: De Toespraken van 'Abdu'l-Bahá in Parijs — Den Haag 1984

Bekijk naast Vriendelijkheid ook: Vreugde & Verdriet en Deugden-spel

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht of Bahá'í visie